Goed idee, verkeerde aanpak

Sancties tegen Iran zijn niet meer dan een tussenstation op weg naar een militaire aanval, meent Mustafa El-Labbad. Charles A. Kupchan en Ray Takeyh pleiten voor een andere benadering dan indertijd tegen Oost-Europa.

De oorlog in Irak heeft maar al te duidelijk gemaakt hoe hoog de prijs is om met militair geweld een machtswisseling teweeg te brengen. De Amerikaanse regering grijpt daarom terug op Oost-Europa, waar de VS via radio-uitzendingen en rechtstreekse steun aan oppositiegroepen de autoritaire overheden ondermijnden en de democratie bevorderden. In Amerikaanse regeringskringen wordt uitdrukkelijk het model aangehaald van de Poolse beweging Solidariteit.

Hoewel de democratisering van Iran een lofwaardig doel is, maakt de Amerikaanse regering een vergissing door een strategie voor een machtswisseling te kiezen die berust op de ervaring in Europa.

De omstandigheden in Iran vertonen weinig gelijkenis met die waarmee de val van de dictatoriale regimes in Europa gepaard ging, en waarschijnlijk zal de strategie dan ook mislukken en de hard-liners in Teheran alleen maar sterker maken. In plaats van Iran te isoleren en te proberen het bewind van buitenaf te ondermijnen, zou Washington de dialoog met Iran moeten aangaan, om een natuurlijk proces van politieke hervorming van binnenuit te bewerkstelligen.

Overal in Oost-Europa waren de oppositiebewegingen die het communisme ten val hebben gebracht - en de laatste jaren ook nog democratie hebben gebracht in landen als Georgië en Oekraïne - uitgesproken pro-Amerikaans. De dissidenten waren maar al te blij hulp uit Washington te ontvangen en zich te identificeren met de Amerikaanse politiek. En voor de nieuwe democratieën van Europa is het nog altijd een waardevol politiek voordeel om met de VS in de pas te lopen.

Dit geldt niet voor Iran. Een uitgesproken argwaan jegens de VS bestrijkt het gehele politieke spectrum. De retorische - en nu ook financiële - steun van de regering-Bush aan het Iraanse volk maakt het leven alleen maar moeilijker voor de voorvechters van de democratie voor wie zij juist bedoeld is.

De Iraanse conservatieven blijven op de Amerikaanse 'inmenging' reageren door hard op te treden tegen dissidenten, die zij als 'vijfde colonne' afschilderen. Ook de hervormers met een pro-Amerikaanse instelling hebben zich noodgedwongen moeten indekken door afstand te nemen van de Amerikaanse oorlogszucht.

In Oost-Europa waren de regimes die door de democratische opstand ten onder gingen, broos en onwettig; ze waren in de ogen van hun burgers allang in diskrediet geraakt. Het huidige Iraanse bewind is daarentegen behoorlijk populair. President Ahmadinejad heeft zich bekwaam in de mantel van het nationalisme gehuld. De regering-Bush verzuimt in te zien dat haar dwingende diplomatie op nucleair terrein afbreuk doet aan haar pogingen om de steun aan de Iraanse leiders te verminderen.

Ook handhaafden de gecentraliseerde regimes in Oost-Europa een strenge zeggenschap over de media, waardoor de Amerikaanse uitzendingen en de heimelijke verspreiding van informatie een beslissende rol speelden in de bevordering van het democratische debat. Dergelijke maatregelen zullen in Iran veel minder doeltreffend blijken, omdat daar een wijdverbreide toegang is tot mobiele telefoons, internet en satelliet-tv.

Iran heeft weliswaar geen vrije pers, maar het binnenlandse debat is redelijk pluralistisch. Bij de interne Iraanse machtsstrijd staat ook voor de VS iets op het spel, en de Amerikaanse regering probeert terecht de Iraanse reactionaire geestelijkheid te ondermijnen. Maar de beste manier om dit te doen is niet door het Iraanse volk radio-uitzendingen in het Farsi aan te bieden, maar door het een realistisch uitzicht op integratie in de internationale gemeenschap te verschaffen.

Door geleidelijk te werk te gaan, eerst via de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie, kunnen de Verenigde Staten Teheran aanmoedigen tot decentralisatie, verantwoording en transparantie - politieke praktijken die uiteindelijk Ahmadinejad en zijn conservatieve onruststokers ten val zullen brengen. Bovendien zou Washington zo in Iran de nodige goodwill kweken, en dat is essentieel voor het ontstaan van een nieuwe generatie hervormers die de VS niet als de Grote Satan maar als een mogelijke partner ziet. Overtuigende dreigingen zijn nodig om Teheran zover te krijgen dat het afziet van zijn pogingen om de techniek voor de productie van kernwapens te verwerven.

Maar die dreigingen moeten vergezeld gaan van de geloofwaardige belofte dat een politieke normalisatie mogelijk is als het bewind in Teheran zijn oorlogszuchtige koers verlaat. Anders profiteren alleen de hard-liners - die hun machtsmonopolie rechtvaardigen met een beroep op demonen van buiten en met een uitsluiting door de internationale gemeenschap.