Een kijkje onder de Oostenrijkse dirndljurk

Kunnen muziek, schoonheid, beschaving een buffer opwerpen tegen haat? Die vraag roept “De pianiste' op. Lees en reageer op www.nrc.nl/leesclub

In de Leesclub wordt gediscussieerd over de vraag of en waarom De pianiste van Elfriede Jelinek een feministisch boek is. Toen de roman verscheen in 1983 en ik hem voor het eerst in het Duits las was ik daar zonder meer van overtuigd. Misschien kwam het door de titel Die Klavierspielerin, die een andere connotatie heeft dan De pianiste. In de tekst, ook in de vertaling van Tinke Davids, komt die titel op een veelzeggende manier terug. Tijdens de scène waarin de 36-jarige Weense pianolerares Erika Kohut haar leerling Walter Klemmer haar behoefte aan seksuele onderwerping uiteenzet, zegt de alwetende verteller: “Zij wil alleen het instrument zijn waarop zij hem leert spelen.'

Erika's achternaam Kohut is niet toevallig gekozen. Zij lijdt aan wat de in 1913 in Wenen geboren psychoanalyticus Heinz Kohut een narcistische persoonlijkheidsstoornis noemde. Oorzaken van zo'n stoornis waren volgens hem maatschappelijke omstandigheden waarin mensen worden gereduceerd tot instrumenten. Jelinek heeft in De pianiste gespeeld met de theorieën van Kohut en deze verbonden met de verstikkende en hypocriet-katholieke post-nazistische Oostenrijkse samenleving. Feministisch is haar weerzin tegen het instituut gezin waarin kinderen worden geconditioneerd door de overdracht van verderfelijke rolpatronen. Erika's moeder heeft haar zachtaardige echtgenoot weggestopt in een tehuis voor dementen, zodat ze vrij spel heeft haar dochter te drillen tot de beroemde pianiste die ze van haar wil maken.

Erika's “opvoedster' houdt het midden tussen de moeder-overste van een nonnenklooster en een bewaakster in een concentratiekamp. Erika mag geen leuke kleren dragen, maar wordt geperst in een door haar voorgeschreven uniform, ze mag geen relaties met mannen hebben, ze mag niets wat in strijd is met het plan dat de moeder voor haar heeft. “Erika heeft geen gevoel en geen gelegenheid om zichzelf te liefkozen. Haar moeder slaapt naast haar in bed en let erop wat Erika's handen doen. Die handen moeten studeren, die horen niet als dieren onder de dekens te schieten en daar aan de jampot te zitten.'

De kampbewaakster die Jelinek van Erika's moeder maakt mag een karikatuur lijken, de schrijfster hamert erop dat zij model staat voor wat in Oostenrijk als traditionele burgerdeugd geldt. Neem deze passage over Erika's moeder en grootmoeder tijdens een vakantie in de Alpen, als de pianiste nog een kind is dat wordt opgesloten om te studeren. “De twee gifmoeders beloeren hun slachtoffer, dat ze al bijna hebben leeggezogen, kruisspinnen als ze zijn. Met hun dirndljurken waarover hun gebloemde schorten.'

Je ziet de dames voor je in hun afgrijselijke Tiroler jurken, maar Jelinek laat niet na ook nog even te wijzen op wat daar onder zit. “De twee oudere vrouwen met hun dichtgegroeide, uitgedroogde geslachtsdelen werpen zich voor elke man, opdat hij niet kan doordringen tot hun lammetje. Het jonge dier mag door liefde noch lust gedeerd worden. De kiezelzuur verstarde schaamlippen van de twee oude vrouwen happen met een droog geritsel als de tangen van een stervend vliegend hert, maar ze krijgen niets te pakken.'

Ach, kun je denken, De pianiste gaat over een exceptioneel geval, een meisje dat ter meerdere glorie van moeder en grootmoeder moet worden opgevoed tot internationale ster om de eer van Wenen hoog te houden. Maar zó zijn en worden ook “gewone' meisjes opgevoed, van wie maagdelijkheid en deugdzaamheid behoed moeten worden om later te kunnen slagen, misschien niet als kunstenares maar dan toch als echtgenote, als instrument dat naar believen bespeeld kan worden. In dat opzicht beschouw ik de roman bij herlezing nog steeds als een feministische hartenkreet tegen het gezinsdenken en tegen elke religie of ideologie waarin van meisjes en vrouwen onderwerping wordt geëist..

Maar Jelinek gunt ons niet alleen een kijkje onder de dirndljurk van de voor de Oostenrijkse begrippen ideale moeder, ze toont ons ook een blik achter die andere Oostenrijkse façade: die van de klassieke muziek. ,,Voor de idolisering van de hoge muziekcultuur, waar het land van leeft, wordt een prijs betaald. Denk maar eens aan hoe de grote componisten tijdens hun leven behandeld werden, evenals eigentijdse kunstenaars. Het betreft een Hegeliaanse meester-knecht-relatie,“ zei Jelinek in een interview. Erika ziet zichzelf ook als knecht. De muziek is haar gevangenis, waaraan ze alleen kan ontsnappen door zelfdestructie.

Zelfdestructie bij gedrilde muzikale wonderkinderen is ook een thema dat aan de orde komt in Erfstukken van tv-presentator Paul Witteman, van moederszijde telg uit het vermaarde kunstenaarsgeslacht van de Andriessens (zie de recensie op pagina 31). In dit mooie en intrigerende autobiografische boekenweek-essay onderzoekt hij aan de hand van eigen ervaringen, biografieën van musici en vakliteratuur wat zware muziekstudie doet met de hersenen en welke desastreuze uitwerking de druk tot presteren kan hebben. Als afschrikwekkende voorbeelden noemt hij de op 35-jarige leeftijd onder twijfelachtige omstandigheden overleden violist Michael Rabin en Brandenn Bremmer, een wonderkind op de piano dat in 2005 als 14-jarige zelfmoord pleegde. Amerikaanse muziekpedagogen waarschuwen volgens Witteman sinds de dood van Rabin dat de muzikale loopbaan van pubers zorgvuldig moet worden opgebouwd. “Er moet levenservaring in hun musiceren doorklinken'.

Wat klinkt er voor levenservaring door in de muziek van Erika, wat kunnen we concluderen uit haar muziekopvattingen, haar voorkeuren? Die kwestie zou een muziekkenner als Witteman misschien kunnen analyseren. Hoe verhoudt de liefde van Erika voor Bach, Brahms, Mozart en Schubert zich tot haar allesverterende haat? Kunnen muziek, schoonheid, beschaving niet juist een buffer opwerpen tegen haat?

Voor het beantwoorden van zulke vragen zouden behalve muziekkenners ook psychiaters en psychologen die bekend zijn met het werk van Heinz Kohut (en diens polemiek met die andere grote Wener, Sigmund Freud) zich ook eens over De pianiste moeten buigen.

Volgende week in de Leesclub: Atte Jongstra over het realisme van “De pianiste'. Discussieer mee op www.nrc.nl/leesclub, waar ook alle eerdere artikelen te vinden zijn.

    • Elsbeth Etty