“De samenleving roeit de eenling uit'

De schrijver Arthur Japin houdt van grote problemen en grote levens. In zijn laatste roman, het geschenk voor de aanstaande Boekenweek, reconstrueert hij op de grens van feit en fictie de levens van twee kleine mensen.

De dingen in de studeerkamer van Arthur Japin; rechts de schrijver zelf Foto's Vincent Mentzel Hand en vleugel van Arthur Japin,auteur.foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Utrecht, 7 maart 2006 Handen Lichaamsdelen Muziekinstrumenten Piano's Bladmuziek Mentzel, Vincent

Voordat Arthur Japin (1956) zich in 1978 aanmeldde bij de Theaterschool in Amsterdam, studeerde hij twee jaar Nederlands. Een aantal leuke leraren op het gymnasium had hem op dat idee gebracht. “In mijn onnozelheid,“ vertelt Japin, “dacht ik dat daar mijn liefde voor taal en literatuur zou worden verdiept, maar dat was niet het geval. Ik ben daarna juist een tijd allergisch geweest voor de Nederlandse taal.“ De Theaterschool maakte hij wel af. Daarna zou hij jarenlang de kost verdienen met acteren en met het schrijven van liedjes, hoorspelen, filmscenario's en toneelstukken. Het waren vingeroefeningen voor het echte schrijfwerk.

Hij kwam er in de loop van die jaren achter dat acteren slecht bij hem past. Zijn laatste optreden herinnert hij zich nog goed. Hij had een bijrolletje in Do not disturb van Dick Maas. Hij moest een scène spelen met Osacarwinnar William Hurt. ,,Ik moest hem geloof ik vertellen dat zijn dochter verdwenen was. De scène werd wel twintig keer opgenomen. In het gezicht van William Hurt veranderde er twintig keer helemaal niets. Hij intoneerde alle zinnen op exact dezelfde manier. Die ogen! Het was net of je naar een muur keek. Maar ik probeerde van alles om expressie in mijn rol te leggen. Nou ja, om een lang verhaal kort te maken: bij hem zag het er op het doek perfect uit, terwijl ik wel overspannen leek. Ik wilde het veel te mooi doen.“

Japin debuteerde in 1996 met de bundel Magonische verhalen. Naar zijn eigen idee was zijn schrijverschap al eerder begonnen, met het onderzoek dat zou leiden tot zijn eerste roman, De zwarte met het witte hart (1997). Het verhaal over de twee Ghanese prinsen die naar Nederland werden verscheept, moést door hem verteld worden, zo voelde hij dat. “Ik dacht altijd dat ik geen fantasie had, maar dat bleek dus niet waar te zijn. Het was net een motor die aan sloeg.“ Hij had geen idee of er belangstelling voor het thema zou zijn. Hij kon zich eigenlijk ook niet voorstellen dat iemand het boek zou willen lezen. Hij had er zo lang aan gewerkt dat hij daar geen zicht meer op had. Nog altijd beleeft de roman herdruk op herdruk en het succes voerde hem de hele wereld over.

De afgelopen jaren verschenen er drie romans en drie verhalenbundels. Voor Een schitterend gebrek (2003), een historische roman over Lucia, de eerste geliefde van Casanova, kreeg hij de Librisprijs. Nu, tien jaar na zijn debuut, verscheen De klank van sneeuw, een bundel met twee novellen, en schreef hij op verzoek van de CPNB ter gelegenheid van de 71ste boekenweek De grote wereld. Hij was verrast dat hij nu al voor het schrijven van het boekenweekgeschenk werd gevraagd. “Je hebt mensen die al veel langer schrijven en er eigenlijk meer recht op hebben.“ Daarnaast doet hij nog wat extra dingen. “Er is net een cd gemaakt met liedjes die ik zelf ooit heb geschreven, tekst en muziek. Ik zing er zelf ook twee. Ook heb ik hier thuis dirigeerles gehad, van Jan Stulen. Op de zondag in de Boekenweek reis ik namelijk in mijn eigen trein, de Japin Express, door het land met een blaasorkest, dat De grote wereld gaat spelen van Fons Merkies, op basis van mijn verhaal. Ik dirigeer ze. Ik ga ook nog iets anders doen, maar dat moet een verrassing blijven. Ik kan wel al zeggen dat het de vervulling is van een kinderdroom.“

In De grote wereld vertelt hij de geschiedenis van twee “kleine mensen'. Lemmy groeit op in Lilliputia, een miniatuurdorp op Coney Island, bij New York, gebouwd ter vermaak van toeristen. Op een dag ontmoet hij de Duitse Rosa die met de bewoners van Märchenstadt Lilliput op tournee is. Ze trouwen, reizen samen terug met haar gezelschap naar Frankfurt en zijn sindsdien onafscheidelijk. Totdat Lemmy besluit dat hij niet meer de kleine pias wenst uit te hangen in het zoveelste theater. Hij trekt “de grote wereld' in. Pikant detail: het is 1939 als hij in nazi-Duitsland zijn beslissing neemt.

Hoe kwam u aan het gegeven voor zo'n verhaal?

“Bij het leegruimen van mijn ouderlijk huis, na de dood van mijn moeder, in 1995, vond ik ansichtkaarten van een Duits lilliputterdorp. Die waren aan mijn vader gestuurd in de jaren dertig. Toen ik mij erin verdiepte, bleken er veel meer van die rondtrekkende dorpen te zijn geweest. Ik ben gefascineerd door mensen die leven in een kunstmatige werkelijkheid. Misschien sprak mij dat ook wel zo aan omdat ik zelf schijn af te stammen van een groep rondtrekkende Franse toneelspelers. Het klinkt misschien idyllisch, zo'n dorp, maar er zat een heel dubieuze kant aan. Kleine mensen raken vaak vergroeid naarmate ze ouder worden. Zodra ze gehandicapt raakten, werden ze uit Lilliput weggestuurd, want die dorpjes moesten er wel perfect uitzien. Binnen de Vereniging voor kleine mensen, waar ik mijn licht heb opgestoken, is er ook tweespalt over. Sommigen leven nog altijd van zich tentoonstellen en toneelspelen en hebben daar goede redenen voor. Anderen vinden dat dat niet kan kan, of doen het in elk geval niet.“

Die tweespalt is ook aanwezig in “De grote wereld'.

“Op dat punt zijn Lemmy en Rosa het niet met elkaar eens. Hij wil gezien en gerespecteerd worden als een normaal mens, terwijl zij de beperkingen accepteert die horen bij haar gestalte. Hoe ver wil je gaan in aardig gevonden worden? Hoeveel offer je daarvoor op? Dat zijn de vragen die mijn hoofdpersonen zich steeds stellen. In hoeverre doe je jezelf anders voor dan je bent omdat dat de gemakkelijkste weg is? En wat kost je dat? Dat zijn natuurlijk vragen die álle mensen zich zouden kunnen stellen.“

Het boek heeft een ongewis einde.

“Ja, de mensen die het al lazen willen graag weten hoe het nu eigenlijk verder gaat. Ik heb daar natuurlijk wel een idee over, maar ik weet het ook niet zeker. Sommigen vonden het einde droevig, maar zelf vind ik het juist hoopvol. Lemmy stapt de grote wereld in en dat is een positieve beslissing. De lezer weet wat er in 1939 te gebeuren staat, maar Lemmy weet dat niet en houdt daar dus ook geen rekening mee. Veel kleine mensen zijn in Auschwitz beland, maar sommigen overleefden juist omdat ze klein waren. Omdat ik met mijn manier van werken, waarin ik feiten met veel fictie vermeng, uit respect niet op Auschwitz wilde loslaten, heb ik het verhaal in 1939 laten stoppen.“

U schrijft bijna altijd over afwijkende mensen. Kleine mensen. Een vrouw die geschonden is door de pokken. Gehandicapte circusartiesten. Zwarte mensen in een witte omgeving.

“Ik voel me aangetrokken tot mensen die hun eigen leven hebben moeten uitstippelen. Vaak hebben die mensen - soms in vroeger tijden en verre landen - uitzonderlijke dingen meegemaakt. Als ik nieuwsgierig ben geraakt door zo iemand, dan probeer ik de historische feiten te verbinden met mijn eigen ervaringen, waardoor ik me beter kan inleven. En dan zie ik ineens: eigenlijk ben ik dat zelf. Dat zal wel komen omdat het in mijn eigen leven ook niet altijd van een leien dakje ging. Ik had het vroeger thuis niet gemakkelijk met een depressieve vader en ik werd mishandeld op school. Ik heb jarenlang in een isolement geleefd.“

Moet het in literatuur bij voorkeur gaan over rampzalige dingen?

“Het kan natuurlijk overal over gaan. Ik ben van het drama, van dingen die groter zijn dan het leven zelf. Ik hou niet van boeken waarin een kleine gebeurtenis wordt uitgediept en herbeleefd. Een grote roman over een klein gevoel is niets voor mij. Ik hou ervan om over grote problemen en grote levens te schrijven en die dan klein en behapbaar te maken. Marguerite Yourçenar werkte zo. Een enorm leven als dat van Hadrianus maakte ze menselijk en toegankelijk.

Is het prettig om succesvol te zijn?

“Ja, maar het gaat mij vooral om het plezier van het schrijven en de inkeer die ermee gepaard gaat. Daarnaast is het fijn dat ik een manier heb gevonden om mensen te bereiken. Want dat gaat bij mij nu eenmaal niet zoals bij de meeste mensen. Ik loop niet zomaar een café binnen om daar een gesprek met iemand te beginnen. Ik ga ook nooit naar verjaardagen. Ik begrijp de code niet. Eigenlijk mis ik hoe raar dat ook mag klinken in een interview - iedere aandrang om mededelingen over mijzelf te doen in gezelschap. Ik kan heel goed een avond luisteren. Dat komt natuurlijk van vroeger. Als enig kind had ik niemand om mee te praten.“

Is dat een gemis?

“Integendeel. Ik ben erachter gekomen, door al die lezingen die ik geef, dat ik veel over mijzelf meedeel in die boeken. De lezers vinden dat prettig en reageren erop. Dat is een geweldige ontdekking die ik in mijn leven niet graag had willen missen. Sinds die Librisprijs is er wel een verandering gaande. Ik heb al een paar keer meegemaakt dat mensen, bij het signeren, dichtbij je staan en dan met elkaar praten over jou, alsof je een plaatje bent. Dan zeggen ze bijvoorbeeld: in het echt ziet hij er toch anders uit. Het is niet eng of vervelend, maar wel raar. Ineens ben je een uithangbord geworden. Hier in huis, tussen Lex en mij, is niets veranderd. Maar de mensen gaan anders tegen je aankijken. Daar schuilt een gevaar in. Het gevaar dat je aan hun verwachtingen wilt gaan voldoen.“

Voelt het succes niet ook als een genoegdoening?

“Nee, hooguit heb ik door het schrijven beter begrepen waarom bepaalde dingen mij als kind zijn overkomen. De samenleving probeert de eenling uit te roeien. Het isolement is iets dat in je zit en soms naar boven komt. Dat is vervelend, maar je kunt er mee leren omgaan. Mijn vroege verleden is somber, maar het is ook het fundament waarop je het hele huis hebt gebouwd. Het is onzin om nu nog die kelder te willen slopen. Het zit er en het heeft me ook veel moois gebracht.“

Welk van uw boeken is het mooist?

“Dat kan ik niet zeggen. Ze zijn me allemaal even dierbaar. Herlezen doe ik ze trouwens nooit. Als ik een lezing geef, dan neem ik stukjes uit al die boeken en op een gegeven moment bestaan ze alleen nog maar uit die fragmenten. De tussenstukken komen me soms niet eens meer bekend voor. Maar ze zijn ook niet voor mij geschreven. De geschiedenis is opgelost, de nieuwsgierigheid is bevredigd en dan is er allang weer iets anders waar je vol van bent. Stel je dat voor, een schrijver die zijn eigen boeken zit te lezen.“

Arthur Japin: “De grote wereld'. Gratis bij aankoop van 11,50 aan Nederlandstalige boeken of bij het nemen van een jaarabonnement op de openbare bibliotheek tijdens de boekenweek (15 t/m 25 maart).

Zie ook: www.boekenweek.nl