De losers onder elkaar

Popmuziek is gewoonlijk synoniem met levenslust en dadendrang, kortom met datgene wat jongeren in overdaad voorradig hebben en wat later noodgedwongen op rantsoen gaat: energie. Alles uit “de jaren zestig' geeft er blijk van, het psychedelische getingel-tangel incluis. Ook de woeste rap en hiphop uit de jaren negentig barstten van het vitale enthousiasme, al dan niet begeleid door geweervuur.

Neil Young Tonight's the Night

Maar er zijn muzikale jaren die juist getekend worden door een vermoeid gebrek aan levenslust, door sombere introspectie, en waarin hooguit een loodzware hinkstapsprong wordt gewaagd op weg naar betere tijden.

Ziehier de definitie van het popjaar 1973. Eric Clapton, nog klapwiekend van heroïne-verslaving, wankelde door een eerste concert sinds jaren in de Londense Rainbow. De Rolling Stones maakten met Sticky Fingers voor het eerst een ontgoochelde, figuurlijk valse plaat. Lou Reed liet op het nihilistische Berlin de kindertjes om hun mama huilen. En Neil Young bracht een verlopen ode aan Hollywood Babylon op Tonight's The Night. Gemene deler: afscheid van de jaren zestig, welkom aan de depressieve - of, zoals het in Nederland destijds heette, “matte' - jaren zeventig. De hoop op revolutie was vervlogen, iedereen stond er weer, opgehipt of niet, alleen voor.

In de literatuur komt alles altijd later. Er is een beroemde, recente roman die, als hij niet dertig jaar later geschreven zou zijn, “1973' als titel zou kunnen hebben. De vertelling heeft diezelfde, typische combinatie van enerzijds troosteloosheid, verloedering en het devil-may-care existentialisme van de joint en de tapkast, en anderzijds een op zichzelf teruggeworpen, sceptisch humanisme. Een roman waarin de wereld op drift is, de lust ontketend, maar zonder enige clou waarhéén, en waarin de hoofdpersonen beseffen dat sociale en morele ondergang hun natuurlijke lot zal zijn.

In Les particules elémentaires (1998) van Michel Houellebecq kijkt het individu Michel (een geneticus) verwonderd toe hoe het wrakhout van de jaren zestig en zeventig langs drijft. Vrije seks, maatschappij-hervorming, en allerlei hemelbestormende idealen, zijn stukgelopen op het onvermogen van mensen om hun driften in goede banen te leiden. Liefde is -helaas - een illusie, sarcasme en nihilisme de enig mogelijke antwoorden op een samenleving die geen gemeenschapszin of doel meer kan formuleren.

Tot zover lijkt de diagnose overeen te komen met de bleke, uit het lood geslagen gitaarpartijen van Eric Clapton op Live At The Rainbow, zij het nog aanmerkelijk troostelozer. Maar wat Elementaire deeltjes, zoals de vertaling luidt, redt van het zwartste pessimisme, is de bizarre humor, het besef dat de menselijke werkelijkheid altijd een tragikomische zal zijn.

Dat maakt Houellebecqs roman het meest tot een familielid van Neil Youngs Tonight's The Night, waarop de Canadese loner in de gedaante van gesjochten ceremoniemeester een morsig beeld geeft van het klatergoud op Miami Beach. Waar alles ,,goedkoper is dan het eruit ziet“, zoals Young zijn eigen werk cabaretesk toelichtte op de bühne.

Eén verschil. Bij Young klinkt tussen de mistroostige flarden elektrische gitaar toch nog een grimmig humanisme: we zijn losers, maar dan toch losers onder elkaar. Houellebecq is, zoals het een Franse auteur betaamt, te filosofisch voor zulk houthakkerssentiment: genetische manipulatie en het verdwijnen van het individu zijn de enige uitweg. Dat zou de Lou Reed van Berlin, zijn kille New Yorkse versie van Tonight's The Night , vermoedelijk eerder aanspreken: dan stoppen die kinderen tenslotte ook een keer met huilen.

Michel Houellebecq: Elementaire deeltjes (De Arbeiderspers, euro 7,50). Neil Young: Tonight's The Night (Warner Brothers).