De dorpsomroeper is terug

Na Antwerpen heeft nu ook Amsterdam een stadsdichter. Maar waar dicht je over in zo'n functie? De Amsterdammer Adriaan Jaeggi nam de Antwerpenaar Bart Moeyaert mee op een stadswandeling. Jaeggi: “Het is een ludiek ambt, het is folklore.“

Stadsdichters Bart Moeyaert (links) en Adriaan Jaeggi foto's Maurice Boyer Stadsdichter Antwerpen Bart Moeyaert(l) en stadsdichter Amsterdam Adriaan Jaeggi Foto NRC H'Blad, Maurice Boyer 060103 Boyer, Maurice

“Heb je het koud?“ vraagt Adriaan Jaeggi aan Bart Moeyaert. Op de kade achter het Centraal Station van Amsterdam beukt de vrieskoude wind in op de stadsdichters van Amsterdam en Antwerpen. Zoals het een goede gastheer betaamt, toont Jaeggi - gehuld in muts, handschoenen, sjaal en stoppelvachtje - bezorgdheid over het welzijn van zijn gast, die de koude weert met niet meer dan een mondaine trenchcoat.

De stadsdichter van Amsterdam voert op deze winterse middag zijn Antwerpse collega langs enkele bijzondere plekken van zijn woonplaats. Met de highlights van Amsterdam is de Belg wel bekend. Een half jaar had hij er “een lief, een weekend-relatie“. Vandaar dat Jaeggi kiest voor een tripje naar het onbekende, de NDSM-werf, aan de andere kant van het IJ, in Noord. “Aan die kant heb je het mooiste uitzicht op Amsterdam.“ De ruime keuze uit pontjes, met vijf verschillende bestemmingen, is meteen een verrassing voor Moeyaert. “Heb ik al wat geleerd.“

Op het station, in grand café De 1ste Klas, hebben de schrijvers kennisgemaakt. Moeyaert (Brugge, 1963) is een gelauwerd schrijver van kinderboeken, die al op zijn negentiende debuteerde en wiens impressionistische stijl school heeft gemaakt. Jaeggi (Wassenaar, 1963) is schrijver, dichter en columnist. De stadsdichters, die allebei eind januari aantraden, hebben ieder één bundel op hun naam staan. Jaeggi publiceerde ook een bundel onder het pseudoniem Simon Troost.

In Antwerpen is Moeyaert al de derde stadsdichter en bokst hij op tegen de reputaties van zijn voorgangers. Jaeggi las over het tumult rond Moeyaerts benoeming. Een Antwerpse schepen voor cultuur suggereerde zelfs dat de dichter voor citymarketing kon worden ingezet. “Het was een storm, eerst tv, dan kranten. Ook wel grappig“, vertelt Moeyaert. “De nieuwe stadsdichter mocht niet politiek zijn. Tom Lanoye was politiek. Diens opvolger Ramsey Nasr moest politiek zijn, maar mij interesseert het niet.“ Het confronterende engagement van zijn voorgangers was voor hem eerder aanleiding om het stadsdichterschap geen geschikte functie te vinden. “Ik ben geen Tom 2, of Ramsey 2. Ik ben Bart. Punt. Ik hou meer van het subtiele zeggen zonder het te zeggen. Liever onder je huid dan in your face.“

Mediastorm

De mediastorm bevestigde zijn door de jaren verworven inzicht dat faam als kinderboekenschrijver betrekkelijk is en veel minder publicitaire waarde heeft. Over dat opmerkelijk verschil in aandacht en over de beledigingen die kinderboekenschrijvers zich moeten laten welgevallen, schreef hij een vileine lezing, die hij uitsprak bij de uitreiking van de Woutertje Pieterse prijs, vorige week. Moeyaert haalt een voorbeeld aan: “Er was een mooie reportage over mij gemaakt voor op tv, kondigt de presentatrice me aan met: “Een kinderboekenschrijver die stadsdichter wordt; nou, moeilijk zal het niet zijn!' Da's toch ongelooflijk! Dan denk ik: zal ik nu bellen of straks.“

Hoe groot was de media-aandacht bij Jaeggi, informeert hij.

Jaeggi: “Na twee dagen was het stil. Kon ik weer rustig aan het werk.“ Maar vervolgens begon het gemorrel aan de legitimiteit van zijn stadsdichterschap. Anders dan in veel andere steden wilde B & W van Amsterdam geen stadsdichter benoemen en werd Jaeggi uitverkoren door het stadsdeel Centrum. Dat maakt hem tot niet meer dan een stadsdeeldichter, luidde her en der de kritiek. Hij haalt er zijn schouders over op.

“Sommige mensen houden van procedures. Je hebt stadsdichters die menen dat ze reglementen hebben uitgevonden die jij moet volgen. Mij gaat het om de stadsgedichten: vinden de Amsterdammers die goed of slecht. Het is prima als er straks vijftien stadsdeeldichters zijn - al huiver ik bij de overbodige gedichten die dan geschreven zullen worden. Het is een ludiek ambt, het is folklore.“

Wel wonderbaarlijk populaire folklore. Jaeggi: “Het is nostalgie. De dorpsomroeper is terug. Er is een enorm verlangen naar overzichtelijkere tijden. Ja, dat verlangen wil ik best bedienen.“ Het van oorsprong Engelse fenomeen infecteert niet alleen Nederland en Vlaanderen, weet Moeyaert. Deze maand bezoekt hij een bijeenkomst in Parijs. Ook de Franse hoofdstad wil een stadsdichter aanstellen.

Op het pontje trotseren de dichters de wind op het onbeschutte achterdek. Zich inlevend in zijn rol van gids wijst Jaeggi naar het nieuwe Muziekgebouw aan het IJ, zijn trots. “De achterwand van het BIM-huis, die zwarte doos die deels uitsteekt, is van glas. Ik bezoek er vaak optredens en dan zie je achter de band op het podium het spoor liggen. Schitterend.“ In het Muziekgebouw wil hij ter afsluiting van zijn stadsdichterschap, over anderhalf jaar, een groot feest geven, met dichters, kunstenaars en muzikanten. Hij is er al over in gesprek met Jan Wolff, de directeur.

Vervolgens dromen de dichters zich in de luxueus ogende appartementen in de verbouwde havenpakhuizen aan het water. “Als ik ooit geld heb...“, zegt Jaeggi.

Minder uitnodigend is het gebied waar de pont aanlegt. Het is een kale boel. Lege veldjes, oude gebouwen. Links staan wooncontainers in felle kleuren driehoog opgestapeld. Het zijn studentenwoningen. “Als er asielzoekers hadden gewoond had er nog een hek omheen gestaan“, zegt Moeyaert.

Rechtdoor lopen lijkt zinloos, rechts lonkt het oude terrein van de scheepswerf. “Ik kan hier helemaal niets over vertellen“, roept gids Jaeggi vrolijk. “Ik ben hier ook nog nooit geweest.“

Op de werf keren de stadsdichters via de zijkant van het dok terug naar het water. Ze lopen langs vervallen opslagruimtes, die gekraakt zijn. Er wordt gewaakt door een zwarte hond. Bij het water staan twee wrakke tramtoestellen, eveneens bewoond, gezien de gordijntjes en kruidenrekjes. “Als ik Carry Slee was, zag ik een kinderboek“, zegt Moeyaert. Met een gemaakt krakerig stemmetje: “Een hele oude man woont hier!“

Over het water kun je goed het station en de naastgelegen gebouwen zien liggen. Het uitzicht op de skyline van Amsterdam maakt Jaeggi lyrisch: “Hier zie je de geschiedenis van de stad. Zie je die zilveren streep waar het licht het water raakt? Alles is in beweging.“

Dan valt het oog van Jaeggi op een geheel verroeste boot, voorzien van een metalen huif, aan de overkant van het dok. “Herstel: als ik ooit geld heb, koop ik geen appartement, maar zo'n salonboot.“ Dat moet hij uitleggen van Moeyaert. “Het is een beetje tuttig, maar het is heerlijk varen. Ze zijn op maat gemaakt voor onder de Amsterdamse bruggen.“

In categorie tuttig maar mooi heeft hij nog een voornemen: in een stadsgedicht pleiten voor een fontein op de Dam. “De koningin schijnt dat tot nu toe te hebben tegengehouden, omdat ze op dodenherdenking in een rechte lijn van het paleis naar het monument wil wandelen. Een ander probleem is natuurlijk dat zoiets in Amsterdam altijd hufterproof moet zijn.“ Het woord doet Moeyaert grinniken. “Ik ken dat niet.“

Het fonteingedicht brengt Moeyaert op zijn eerstvolgende daad als stadsdichter: het uitbrengen van een terrasgedicht; het is reeds geschreven. “Het gaat gedrukt worden op bierviltjes, in een oplage van drie miljoen stuks.“

Van dat aantal is zelfs Amsterdamse bek Jaeggi even stil. “Jezus. Goed.“

Moeyaert zoekt naar logische plekken“ om de poëzie bij het publiek te brengen. Zijn eerste stadsgedicht ging in zes talen, gedrukt op deurhangers en werd door vrijwilligers in Antwerpen aan deurklinken bevestigd. De productie kost veel tijd, mede omdat Moeyaert het gedicht ook nu weer in minimaal twee andere talen wil laten verspreiden. “Krijg je daar hulp bij?“ vraagt Jaeggi. Zijn uitgever regelt vertalers, legt Moeyaert uit, en de een stadscommissie staat hem bij in praktische zaken. “En jij?“

Jaeggi: “Als ik iets wil, moet ik zelf sponsors zoeken. Ik heb een heel klein budget.“

In afwachting van de pont gaan de dichters zich warmen en wat drinken in de IJ-kantine op de kade. Achter die werkmansnaam blijkt een imponerend ruim en luxe grand café schuil te gaan, waar het heel stil is. Trombonist Jaeggi ziet zich hier al staan met zijn bandje. “Dan verschillen we toch!“, roept Moeyaert, alsof daar onduidelijkheid over bestond. “Ik denk toch eerder: geheimtip. Ik ben altijd op zoek naar plekken waar je rustig kunt lezen of werken.“

“Kun je thuis niet werken?“

“Ik heb mijn huis gekocht op de werkkamer. Mooi licht, in een appartement op de vijfde verdieping, van waar ik uitkijk op de stad.“ Moeyaert vertelt dat hij zo ongeveer tegen het station aanwoont. “Midden in het gewoel. Op één vierkante kilometer heb je er alles, van opera tot paaldanseres.“

Braverik

Wonen in de stationsbuurt ervaart Moeyaert als een statement. “Bij de voortdurende vraag of ik nu ook politieke gedichten ging schrijven, voelde ik irritatie. Alsof ik een braverik was. Maar kijk toch eens waar ik woon, tussen dertig talen en culturen in. Dat zegt toch genoeg over waar ik sta. Men wil een standpunt expliciet verwoord zien, maar mijn gedichten zullen ook nu niet gaan over politiek of allochtonen, maar over het wezen der dingen.“

Zouden ze een onderwerp voor elkaar kunnen aandragen?

Jaeggi, na lang nadenken: “Frietkotten.“

Moeyaert: “Ik zou dat omwerken. Zo'n koteigenaar komt met iedereen in aanraking. Ik zou in zijn kop kruipen. Zoiets. Voor Amsterdam heb ik wel een idee dat ik zelf ga gebruiken. Amsterdam kent een merkwaardig soort woningnood, waardoor je jaren en jaren op wachtlijsten staat. Daardoor leven mensen op een rare manier in een kluwen in elkaar. Er worden de raarste constructies bedacht om maar te kunnen wonen. Huizen worden verdeeld in etages en kamers met gedeelde voorzieningen. Grachtenpanden hebben een geheim leven van achterhuizen, erkers en doorgangen. Ik zou er een gedicht van maken over Amsterdam als een stad die langzaam wegzakt in de modder omdat er te veel mensen in die huizen wonen. Stadsmensen zijn zich niet bewust van de plek waar ze zijn. Zien ze hun omgeving nog? Vandaar dat terrasgedicht: je zit op een plein, maar kijk je nog wel, hoe alledaags het ook is.“

Jaeggi: “Een stadsgedicht is vluchtig. Mensen vragen aan mij: waar blijft je eerste gedicht? Dat heeft dan in kranten gestaan die ze niet lezen. Ik zou wel een gedicht op een enorm steigerdoek willen zetten, waar het lang kan hangen. Zo kan je een pand bekleden met gedichten. Het is toch mooi om de stad zo te kunnen versieren. Het blijft een meisje waar je verliefd op bent.“

Moeyaert: “Mensen zouden niet meer moeten zeuren over wat ze willen dat er niet zou zijn, maar kijken naar wat de stad is. Maar dat is misschien naïef.“

Jaeggi, met een invoelendheid alsof hij burgemeester Cohen zelf is: “Wil je de mensen dichter bij elkaar brengen?“

Moeyaert: “Het is veel simpeler. Antwerpen is een havenstad, vol kleuren en talen. Kan je daar niet tegen, ga dan ergens anders wonen.“

Waarop Jaeggi besluit dat ze te veel over “bedoelingen' praten. “In een gedicht kan je beter concreet blijven, schrijven over de lekkere kont van een Surinaams meisje. Ik speel trombone in een salsaband. Bij optredens staan donker en licht voor mijn neus samen te dansen en te zweten. Dat is integratie. Seks, muziek, eten, dan komt de rest vanzelf.“

Het eerste stadsgedicht van Moeyaert ging over zijn eerste huis in Antwerpen en de manier waarop hij werd ontvangen. “Het eerste dat mijn bovenbuurvrouw tegen mij zei was: “Waar staat uw tractor?' Antwerpen is een stad van signoren, een metropool waar iedereen vindt dat hij weet hoe de wereld eruit ziet. Ze zien het meteen als je van buiten komt.“

Hij zegt het Tom Lanoye na: Antwerpen is een moeilijk lief. “Ze opent zich langzaam voor je. Zelfs al ben je lang samen, je dringt niet door tot de kern. Toch word mijn liefde steeds groter. Je kunt geen stadsdichter worden als je niet van de stad houdt.“ Waar komt die liefde dan vandaan? “De stad bruist. Sam Dillemans heeft er een atelier, Panamarenko. Fietsend door de wijken ontdek je de diversiteit. Zurenborg: trendy cafés en restaurants. St. Jansplein, allochtone kinderen die volleybal spelen. Koningsplein: bier drinken in de schaduw. Lei: chic. Zuid: place to be. Ik mag dat graag vanachter mijn krant bekijken.“ En mee volleyballen? Hij lacht: “Nee dat niet.“

De populariteit van het Vlaams Blok in Antwerpen, groot geworden door vreemdelingenhaat, geeft Moeyaerts eerste stadsgedicht ook een geëngageerde lading. Dat was onbedoeld. Anderen lazen dat erin, verklaart Moeyaert. “Maar ik ben blij dat het zo overkomt.“ Wat hij doet als het Vlaams Blok bij de gemeenteraadsverkiezingen in oktober weer groter wordt, weet hij nog niet. “De vraag is dan of ik in de stad wil blijven wonen. Ik schaam me nu soms al dood. Maar ik verwerk lompe opmerkingen niet meer in stilte. Als de visboer zegt dat de goedkope vis niet “voor ons soort mensen' is, dan ga ik er tegenin.“

Kalvertoren

Moeyaert vindt het knap hoe zijn voorganger Tom Lanoye alles in politiek weet om te zetten en daar helemaal voor leeft. “Zijn hele gedachtegoed is daar naar gestructureerd. Hij gelooft in de macht van kennis. Ik ga ervan uit dat mijn buik meer weet. Ik vertrouw op mijn gevoel. Dat is moeilijk in deze tijd. Media willen een soundbite van acht woorden. Ik ben iemand van nuance, bijsturen, nadenken en de volgende dag pas wat zeggen.“

Het is tijd om de pont terug te pakken. Jaeggi wil zijn gast nog voeren langs de Kalvertoren om dan te eindigen in zijn favoriete café De Engelse Reet.

“Jah!“, roept Moeyaert lachend en theatraal in zijn handen wrijvend. “Dat zal mij bevallen. Maar ik ga dat beter niet thuis vertellen.“

De dichters krijgen zichtbaar steeds meer plezier in de tocht. Op de pont worden roddels uitgewisseld en het nasaal-Brabantse stemgeluid van uitgever Mai Spijkers geïmiteerd - een populair gezelschapsspel bij mensen uit het boekenvak.

De Kalvertoren is een shopping mall in de drukste winkelstraat van Amsterdam. “De hel“, zegt Jaeggi. Maar een glazen lift brengt de bezoekers in een andere wereld. Plots schieten ze door het dak, de open lucht in. Moeyaert schrikt ervan. De lift leidt naar een cafetaria. Weer een geheimtip, stelt de Antwerpse stadsdichter vast. Hij ziet overal plekken om te schrijven. Zou het hier kunnen? “Nee, dan ga ik maar zitten staren.“

Het grijze weer belemmert een weids uitzicht, het Rijksmuseum is nog net te zien. Toch doet het Moeyeart goed. “Geef mij water en ik ben gelukkig, maar als je mij hoogte geeft ook.“

“Je kan hier zien dat Amsterdam een platte pannenkoek is met een paar torenspitsjes“, wijst gids Jaeggi. “En kijk, hieronder: het dakterras van Thom Hoffman.“ Het is de driehoekige uitloper van een modern appartement, verscholen tussen de huizen. Zo wil een Vlaamse dichter ook wel wonen. “Ai, ik haat hem!“

Op weg naar het café trakteert Jaeggi zich op Vlaamse frites in de Voetboogsteeg, waar de beste van Amsterdam gemaakt zouden worden. Keurend eet Moeyaert er eentje mee, maar hij proeft er niets bijzonders aan. Dat smaakt op de Lange Wapper beter.

Van Adriaan Jaeggi verscheen onlangs “Tromboneliefde'. Van Bart Moeyaert werd de bundel “Verzamel de liefde' herdrukt. Zie voor nieuwe stadsgedichten: www.jaeggi.nl en www.bartmoeyaert.com.