Brussel bang voor patriottisme

Veel EU-landen pleiten momenteel voor 'minder Europa'. In Brussel vraagt men zich angstig af of na het politieke Europa nu ook het economische Europa onder druk komt te staan.

Opnieuw waarschuwende woorden deze week van José Manuel Barroso, de Portugese voorzitter van de Europese Commissie. De recente pogingen van landen als Frankrijk en Spanje om de eigen energiemarkt af te schermen voor bedrijven van buiten, zijn slecht voor de ontwikkeling van Europa. 'Er dient gewaakt te worden voor nationalisme en patriottistische reflexen', zei hij woensdag bij de presentatie van een plan van het dagelijks bestuur van de Unie waarin de contouren voor een Europese, juist gemeenschappelijke, energiepolitiek werden geschetst.

De angst zit er goed in bij degenen die in Brussel het gezamenlijke Europa beheren. Staat na het politieke Europa, dat met het afwijzen van de Grondwet een fata morgana was geworden, nu ook het economische Europa onder druk? Wordt het weer ieder voor zich? Niets voor niets sprak Barroso de regeringsleiders van de Europese Unie aan op hun grote verantwoordelijkheid.

Natuurlijk kan het solistische optreden van Frankrijk opgevat worden als laatste stuiptrekking van een niet meer te stuiten ontwikkeling. Of, in de vriendelijker bewoordingen van Barroso deze week, 'de groeipijnen van het vervolmaken van de interne markt'. Maar tevens kan het herlevend protectionisme in enkele lidstaten van de Unie uitgelegd worden als nieuw teken van de desintegratie die zich meester begint te maken van de EU.

De atmosfeer in Europa, daar gaat het om. En dat is er momenteel één van minder Europa in plaats van meer. De interne markt, dat ambitieuze project uit de jaren tachtig dat ertoe moest leiden dat Europa vanaf 1992 een, economisch gesproken, grenzeloze gemeenschap zou zijn, is minder vanzelfsprekend. Dat blijkt nu nationale regeringen het opeens hebben over het strategisch belang van hun nationale industrieën. Maar dat bleek bijvoorbeeld ook toen vorige maand het Europees Parlement zich schaarde achter een sterk afgezwakte vorm van de zogeheten dienstenrichtlijn - die belemmeringen voor de Europese dienstensector moest wegnemen. Na maandenlang onderhandelen kunnen individuele lidstaten nu op diverse terreinen blokkades opwerpen. Kortom: hoezo interne markt?

Barroso was overigens één van de eersten om het door het Parlement uitgeklede voorstel te omarmen. Niet verwonderlijk, want de Commissievoorzitter weet hoe de verhoudingen in Europa liggen. Eerder hadden immers de regeringsleiders van de Unie, de Franse president Chirac voorop, al laten weten dat de dienstenrichtlijn in zijn oorspronkelijke vorm onaanvaardbaar was. En als de regeringsleiders iets willen dan heeft de Commissie zich maar te schikken.

Blijft de vraag of dit allemaal tekenen zijn van een keerpunt in het eenwordingsproces. Het was de Luxemburgse premier Jean-Claude Juncker die vorig jaar openlijk het woord crisis in de mond nam. Niet zomaar crisis, er was volgens hem zelfs sprake van een 'diepe crisis'. Hij kwam met zijn sombere analyse nadat in Frankrijk en Nederland de Europese Grondwet per referendum was weggestemd en enkele weken later de regeringsleiders van de 25 EU-landen het niet eens bleken te kunnen worden over de gemeenschappelijke begroting.

Het akkoord over de begroting is er met een half jaar vertraging alsnog gekomen, maar het gesomber is niet verstomd. De regeringsleiders zien als een berg op tegen het debat over de vraag hoe het nu verder moet met de Grondwet. Vorig jaar zomer leefde bij velen van hen nog het idee dat met enkele technische, dan wel cosmetische kunstgrepen de zaak wel grotendeels kon worden geregeld. Dat idee is inmiddels verlaten, al was het maar omdat Nederland de Grondwet als 'dood' beschouwt. Hoe langer de kwestie zich voortsleept, hoe meer er wordt opgerakeld. Deze week was het de nieuwe president van Polen, Kaczynski, die zei dat de discussie over de Grondwet maar beter van voren af aan kon beginnen. De ongeduldigen, zoals bijvoorbeeld de Belgische premier Verhofstadt, vinden dat Europa zich maar moet ontwikkelen met een kerngroep van landen die wel bereid zijn tot verdergaande integratie. Daarbij denkt hij in eerste instantie aan de landen van de unie die nu de euro hebben ingevoerd.

Maar volgens de Italiaan Antonio Missiroli, als politiek analist verbonden aan het in Brussel gevestigde European Policy Centre, is het onmogelijk de landen van de zogeheten 'eurozone' deze voortrekkersrol te geven. 'Als die landen het nieuwe epicentrum van Europa moeten vormen, laten zij zich er dan ook naar gedragen, maar dat doen ze juist niet', zegt hij. 'Tenminste in de landen waar de euro is ingevoerd zou een werkelijk interne markt moeten zijn, maar je ziet juist dat de Fransen met hun gedrag die markt op de proef stellen.'

Missiroli ziet dat Europa een moeilijke fase doormaakt met wantrouwige burgers die angstig staan tegenover de globalisering. 'En de Europese integratie wordt ook gezien als een vorm van globalisering.' Hij meent dan ook dat Europa er goed aan doet zich nu even te concentreren op andere zaken. Justitie is zo'n terrein waar veel kan worden samengewerkt, bijvoorbeeld in de strijd tegen het terrorisme. Missiroli: 'Hier is de retoriek veel minder. De betrokkenen roepen heel weinig maar doen achter de schermen des te meer.'