Een vieze kikker als beschermengel

Lekkere kikkers in Ecuador lijken op felgekleurde gifkikkers om niet opgegeten te worden. Maar de allersmerigste imiteren ze niet. Zo kunnen ze meer soorten belagers foppen.

De noordelijke gifkikker Epipedobates bilinguis. Foto David Canatella Canatella, David

De niet-giftige tropische kikker Allobates zaparo lijkt als twee druppels water op twee soorten gifkikkers die in het tropische regenwoud van Ecuador leven.

Het is een klassiek geval van wat biologen kennen als de 'mimicry van Bates'. Hierbij imiteren dieren het uiterlijk van giftige of onsmakelijke soorten zo goed mogelijk, om zo te profiteren van het feit dat roofdieren hebben geleerd dieren met zo'n uiterlijk te mijden.

Beide gifkikkersoorten en hun imitator hebben een rug die bedekt is met felrode wratjes, een opvallend waarschuwingssignaal dat bedoeld is om roofdieren duidelijk te maken dat dit geen geschikte prooi is.

In het zuiden van Ecuador vermomt Allobates zaparo zich als het gifkikkertje Epipedobates parvulus, en in het noorden als de verwante gifkikker Epipedobates bilinguis. Maar wat gebeurt er in het midden, waar de leefgebieden van E. parvulus en E. bilinguis elkaar overlappen? De Amerikaanse biologen Catherine Darst en Molly Cummings van de University of Texas deden een verrassende ontdekking, die zij vandaag publiceren in het Britse wetenschapsblad Nature.

De theorie van Henry Walter Bates (gepubliceerd in 1862) beschrijft dat eetbare soorten qua uiterlijk soms steeds meer gaan lijken op een giftige of minder eetbare soort in hetzelfde gebied, omdat natuurlijke selectie de meest gelijkende individuen bevoordeelt. Roofdieren hebben geleerd de giftige soort te mijden en versmaden daarom ook dieren die er sterk op lijken.

Op grond van de klassieke theorie zou men verwachten dat Allobates er in het overgangsgebied voor 'kiest' op de giftigste kikker te lijken óf op de meest voorkomende gifkikker. Dat zou zijn overlevingskansen ten goede komen.

Maar dat blijkt beide niet het geval, ontdekten Darst en Cummings in het bos. Allobates heeft in het overgangsgebied de karakteristieke gele vlekken op schouder en heup die ook de noordelijke gifkikker E. bilinguis kenmerken. Maar deze kikkersoort bleek in de overgangszone ruim vier keer minder talrijk dan de zuidelijke gifkikker E. parvulus. En dat terwijl de noordeling ook nog eens een stuk minder giftig is dan de zuiderling.

Op zoek naar een verklaring voor dit tegenintuïtieve fenomeen voerden de Amerikaanse onderzoeksters een experiment uit met kippen. De kippen, die nog nooit een kikker hadden gezien, kregen levende noordelijke of zuidelijke gifkikkers voorgeschoteld. De hoenders hadden het snel door: gifkikkers spuwden ze meestal snel uit. Na de training werden de kippen getest of zij een zuidelijke of noordelijke imitator (de Allobates-kikkers) wilden eten.

De kippen die getraind waren op de (erg giftige) zuidelijke gifkikkers lieten beide Allobates-vormen links liggen. Maar kippen die getraind waren op de minder giftige noordelijke gifkikkers aten zuidelijke imitators gewoon op. Hun vermijdingsgedrag beperkte zich tot de noordelijke vormen.

De onderzoekers concluderen daaruit dat in het overlappingsgebied alleen de 'noordelijke' Allobates volledig profiteert van het mimicry-effect, omdat dit uiterlijk beschermt tegen álle roofdieren, of die nu hebben geleerd de noordelijk of de zuidelijke gifkikker te mijden. Daarom zien alle Allobates-kikkers in het gebied eruit als noorderlingen.

Volgens Bas Zwaan, onderzoeker bij de sectie Evolutiebiologie aan de Universiteit Leiden, zou het interessant zijn om te kijken of dit leereffect van roofdieren ook optreedt bij andere soorten.

Het zou Zwaan niet verbazen als dat zo zou zijn: 'Dat leergedrag van predatoren een grote rol speelt, klinkt in ieder geval heel aannemelijk. Bij mensen gaat het zeker op, en ik spreek hier uit eigen ervaring. Als je één keer ziek wordt van vis eten, dan is dat al genoeg om vis en eigenlijk alles wat uit zee komt voor een tijdje te mijden.'