Religieus waas voor ogen

Al in de vorige oorlog, de Koude, waren de scherpslijpers aan beide zijden elkaars bondgenoten. Zei je bij ons dat de Sovjet-Unie maar een gedemoraliseerde bende was, waarvan weinig gevaar was te duchten, dan stond er altijd wel een havik klaar om je voor gevaarlijke defaitist uit te maken. Stond niet op pagina 181 van het Handboek voor de Sovjet-officier dat het uiteindelijke doel de omverwerping van het imperialisme was? Op het vliegveld van Moskou werd ooit mijn exemplaar van Der Spiegel in beslag genomen, omdat er in een advertentie voor sauna's een blote dame zichtbaar was. De geringe afmetingen van de afbeelding - twee bij twee centimeter - konden de Sovjet-beambte niet vermurwen; dat toonde slechts de geniepigheid van deze aanval op het Sovjet-socialisme aan.

Nee, het spijt me, de strijd tussen de haters van de Deense cartoons en hen die deze tot testcase van de vrijheid van meningsuiting willen maken, is niet de mijne. Ik voel me daar wel enigszins schuldig over, tenslotte gaat het om grote dingen. Er zijn wel meer aspecten van de grote krijg tussen islam en Westerse beschaving die me ontgaan. Ik kom met enige regelmaat in de Amsterdamse Diamantstraat en woon om de hoek waar Theo van Gogh is vermoord. Af en toe lees ik over die locaties dat de interculturele spanning er om te snijden is. Mij is niets bijzonders opgevallen.

Alleen die fundamentele tegenstelling tussen religiehaters en religieminnaars, die de minister voor Ontwikkelingssamenwerking laatst definieerde als het hart van de cartoon-debatten, daar ben ik nog wel voor te porren.

Zo bewaar ik de beste herinneringen aan de zondagochtendbijeenkomsten van de vereniging De Vrije Gedachte, waarvan ik als student uit provocatieve overwegingen lid was geworden. De afdeling Leiden bestond verder geheel uit beminnelijke, stokoude veteranen uit de arbeidersbeweging, die hun nobele strijd tegen alle vormen van religie - van katholicisme tot horoscopen in damesbladen - inmiddels in het graf hebben meegenomen, samen met de vereniging zelf. Had iemand mij destijds gezegd dat, dertig jaar later, hun streven in het middelpunt van de belangstelling zou staan - ik had hem niet geloofd.

Er is, ter inspiratie in deze strijd, een prachtig boek verschenen van de Franse filosoof Michel Onfray, Traité d'Athéologie, waarin in brede, Nietzscheaanse boutades al het leed der wereld de “monotheïsmen' (christendom en islam in gelijke mate) in de schoenen wordt geschoven. Ik mag de hoekige Onfray graag lezen, vooral in perioden van lichte neerslachtigheid, want behalve van het monotheïsme is hij ook een verklaard tegenstander van de monogamie, ook zo'n idee waar veel kwaad uit is voortgekomen.

De grote attractie van de principiële strijd tegen religie, uit naam van de menselijke vrijheid en waardigheid die mijn bejaarde vrienden van weleer met socialisme associeerden, is natuurlijk dat gelovigen er veelal een grappig waas voor ogen van krijgen. De furieuze reacties op Onfray's boek lieten in Frankrijk niet lang op zich wachten.

Merkwaardig trouwens dat gelovigen, zoals de genoemde minister, bijna steeds hun toevlucht nemen tot een naar mijn smaak oneigenlijk argument - niet een godsbewijs, maar de veronderstelde nuttige functie van religie in de samenleving. Die lijkt me nog moeilijker aantoonbaar dan het bestaan van god zelf.

Is het ook een nuttige strijd? Ik betwijfel het, en geef de voorkeur aan een uitspraak van de zestiende-eeuwse Franse filosoof Montaigne: “Geen groter schat dan prettig te leven'. Montaigne kon het weten - hij leefde ook in een tijd van godsdienstoorlogen.

Raymond van de Boogaard

woensdag@nrc.nl