Laat raadsverkiezingen wat ze zijn

Een duiding van de gemeenteraadsverkiezingen in het licht van de Tweede-Kamerverkiezingen van volgend jaar gaat te ver, vindt Joop van Holsteyn.

Helemaal serieus werden de gemeenteraadsverkiezingen van gisteren niet genomen. Velen kenden ze een signaalfunctie toe. Deze krant bijvoorbeeld meldde afgelopen maandag dat het gisteren eigenlijk niet om een echte voorstelling ging. Het was slechts de generale repetitie. De grote vraag was toch die naar de vertaling van de lokale uitslag naar de landelijke politiek, naar de Kamerverkiezingen van 2007.

Velen meenden die stap te kunnen en moeten maken, tijdens de campagne, op de dag van de verkiezingen en op verkiezingsavond, en ongetwijfeld de komende dagen en weken. Leuk geprobeerd en ach, je moet het ergens over hebben, maar in essentie is het zinledige speculatie.

Het doortrekken van de lijn van 7 maart 2006 naar mei 2007 is namelijk zo goed als onmogelijk. Tal van factoren zorgen ervoor dat het signaal dat van de raadsverkiezingen uitgaat sterk vervormd raakt, als er al een signaal is.

Ten eerste is er het in dit opzicht hinderlijke verschijnsel van de lokale partijen. Deze gevarieerde groep partijen was gisteren alles bij elkaar goed voor ongeveer 20 procent van alle stemmen. Juist omdat “de' lokale partij niet bestaat en er varianten van te vinden zijn over heel het politieke spectrum, is het duister wat de kiezers van die partijen gaan doen bij aanstaande Kamerverkiezingen. De keuze dan laat zich niet of nauwelijks raden op basis van de lokale keuze nu. Alleen al de omvang en onvoorspelbaarheid van deze groep kiezers maakt duidelijk dat elke vertaling van raads- naar Kamerverkiezingen een slag in de lucht is.

Daar blijft het niet bij. Het feit dat in de aanloop van de raadsverkiezingen de landelijke politici het beeld hebben bepaald, met een voorname bijrol voor een enkel Rotterdams of Amsterdams lokaal kopstuk, mag niet de indruk wekken dat alle kiezers zich door landelijke factoren hebben laten leiden. Zeker, boven de lokale verkiezingen hangt onmiskenbaar de zware schaduw van de landelijke politiek. Van Aartsen lijkt zichzelf te hebben verstrikt in en geslachtofferd precies wegens deze logica. In modern jargon zal dat wellicht heten dat de raadsverkiezingen nu eenmaal door landelijke aspecten moeten worden “gepimpt'. Maar dat laat onverlet dat een aanzienlijk deel van de kiezers zich bij de gemeenteraadsverkiezingen geheel of gedeeltelijk door lokale factoren en ontwikkelingen heeft laten leiden.

Zo gaf in een recente peiling van het internetpanel van Twee Vandaag slechts 26 procent van de deelnemers aan dat bij de lokale partijkeuze de landelijke politiek de doorslag had gegeven. Voor niet minder dan 40 procent gaf juist de lokale politiek de doorslag, en voor 30 procent hadden landelijke en lokale factoren een min of meer gelijk gewicht.

TNS- NIPO kwam eerder uit op een kwart van de kiezers dat zich volledig door plaatselijke kwesties liet leiden, terwijl voor een even grote groep landelijke zowel als lokale factoren van belang waren. En volgens Interview-NSS was er bij ruim 40 procent van de kiezers naar eigen zeggen een sterke invloed van de lokale politiek op de partijkeuze.

De gegevens lopen aldus wat uiteen, maar de boodschap is helder: een substantieel deel van het Nederlandse electoraat beschouwt raadsverkiezingen geheel of gedeeltelijk als een lokale aangelegenheid. Bij Kamerverkiezingen spelen andere overwegingen een rol, wat wederom wijst op een gevaarlijk wankel bruggetje van het lokale naar het landelijke.

Ten derde is het electoraat van lokale en landelijke verkiezingen niet identiek, nog afgezien van het normale natuurlijke verloop ervan. Er is een aantal kiezers die op lokaal niveau wel en op landelijk niveau niet mogen stemmen.

Hoe groot deze groep is onder de stemmers van gisteren is niet eenvoudig uit te maken, en evenmin wat hun keuze precies is geweest, maar in het zo proportionele stelsel dat Nederland nu eenmaal heeft is een paar procent genoeg voor betekenisvolle verschillen in uitkomst.

Ten vierde is er een mogelijk opkomsteffect. Bij de raadsverkiezingen werd een respectabele opkomst van bijna 60 procent genoteerd, maar er is alle reden om te verwachten dat de opkomst bij de eerstvolgende Kamerverkiezingen daar stevig boven zal liggen. En als het zo is dat de mensen die om wat voor reden ook niet konden of wensten te stemmen bij de raadsverkiezingen dat wel gaan doen bij de landelijke verkiezingen, en als zij in hun politieke voorkeur ook maar enigszins afwijken van de groep die bij beide gelegenheden van het stemrecht gebruik meent te moeten maken, dan heeft dat gevolgen.

Opkomsteffecten zijn in de regel vrij bescheiden, maar ook dergelijke bescheiden effecten kunnen cruciaal zijn. In 2003 zat er maar zo'n anderhalf procent tussen CDA en PvdA. Maar het CDA was met dat nipte verschil als grootste uit de stembus gekomen en had vervolgens het voortouw bij de kabinetsformatie.

Tot slot nog een relativerend trapje tegen een open deur. Het is nog ver naar de Kamerverkiezingen, er kan van alles gebeuren. Wie wist ruim een jaar voor de verkiezingen van 15 mei 2002 dat ene Pim Fortuyn zich in de strijd om de kiezer mengen zou, met alle electorale en politieke gevolgen van dien?

Tal van maatschappelijke en politieke ontwikkelingen, in termen van beleid en beleidsuitkomsten, internationale ontwikkelingen alsook op het personele vlak, zijn mogelijk voordat de campagne voor de Tweede-Kamerverkiezingen van 2007 werkelijk van start gaat. Het is goed mogelijk dat tegen die tijd de raadsverkiezingen van 7 maart 2006 ver weg en zo goed als vergeten zijn.

Vanuit dat perspectief is het misschien alleen maar verstandig om de gemeenteraadsverkiezingen te laten voor wat ze zijn geweest: een verdeling van raadszetels waarmee men op lokaal niveau weer vier jaar vooruit kan. Speculeren over de landelijke betekenis ervan heeft weinig zin.

Prof.dr. Joop van Holsteyn is universitair hoofddocent en bijzonder hoogleraar Kiezersonderzoek aan de Universiteit Leiden en momenteel als fellow werkzaam aan het Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences (NIAS) te Wassenaar.