Klinkende zege verhult zwakte PvdA

De uitslag van de raadsverkiezingen is helder, de verklaringen ervoor zijn minder eenduidig. Electorale ontrouw blijkt structureel. En de PvdA moet zich zorgen maken, want ze trekt geen jongeren meer.

In de Fortuynrevolte van vier jaar geleden kreeg de PvdA een ongenadig pak slaag. Gisteren wonnen de sociaal-democraten het verloren terrein ruimschoots terug. Dat was verwacht, gezien het verloop van de opiniepeilingen in de afgelopen maanden. Maar onder de oppervlakte sluimert een structureel verlies.

In raadszetels gerekend ging de PvdA er ruim vijftig procent op vooruit. Maar dat is een vertekend beeld. Raadszetels worden minder proportioneel verdeeld dan Kamerzetels. In stemmenpercentage ging de partij er 7,8 procentpunt op vooruit. Nog altijd niet te versmaden, maar niet te vergelijken met de aardverschuiving in het zeteltal.

“Rechttoe-rechtaan vergelijken van de uitslag met die van 2002 is wat naïef“, zegt Cees van der Eijk. “Dat waren heel bijzondere verkiezingen. In vergelijking met de raadsverkiezingen van 1998 zijn de verschuivingen minder spectaculair.“ Cees van der Eijk is specialist op het gebied van kiezersgedrag, en als hoogleraar verbonden aan de universiteit van het Britse Nottingham. Niettemin volgt hij de bewegingen van de Nederlandse kiezers op de voet.

De partij van Wouter Bos heeft twee problemen. In de eerste plaats zijn haar kiezers niet erg trouw. Uit een enquête onder ruim zesduizend kiezers die Maurice de Hond gisteren hield in opdracht van het ANP en de NOS blijkt dat ruim een kwart van de kiezers die gisteren op de PvdA zouden hebben gestemd als de verkiezingen voor de Tweede Kamer waren geweest, voor de raad een andere keuze maakt.

Heel opmerkelijk, vindt Van der Eijk. Immers, de vraag naar wat men landelijk zou stemmen en de vraag wat men lokaal stemt zijn op hetzelfde moment gesteld. “Wanneer die vragen niet op hetzelfde moment spelen, zal het verschil waarschijnlijk nog groter zijn. Een kwart van het electoraat maakt een keuze zonder zich geheel te verkopen aan één partij. Zij houden expliciet andere opties open. Het geeft ook aan dat de context van verkiezingen ertoe doet. Kiezers zien dat.“

Dit probleem van de relatief ontrouwe aanhang deelt de PvdA met alle andere partijen: bij allemaal wijkt een kwart van de landelijke aanhang bij de raadsverkiezingen uit naar een andere partij. Bij de SP is dat zelfs bijna de helft, maar dit komt doordat deze partij in lang niet alle gemeenten meedoet. Landelijke SP-stemmers dus vaak wel moeten uitwijken naar een andere partij.

Het tweede probleem waarmee de PvdA kampt, deelt ze in die mate met slechts één andere partij, het CDA, en tot op zekere hoogte met de SP: achterblijvende populariteit onder jongeren. Gebruikelijk is dat winnaars van verkiezingen ook het meest populair zijn onder jongeren. Dat is dit keer niet het geval.

Uit de enquête van De Hond blijkt dat onder 18- tot 30-jarigen de PvdA 18 procent scoort, het laagste van alle leeftijdscategorieën. Ter vergelijking: van de 65-plussers stemt 29 procent PvdA.

“Dit moet de vreugde van de PvdA toch temperen“, meent Van der Eijk. Temeer daar de VVD wél heel goed scoort onder 30-minners: met 17 procent bijna net zo goed als de PvdA. De liberalen scoren daarentegen onder bejaarden uitgesproken zwak, slechts 8 procent.

Bij de duiding van de zwakke score van de PvdA onder jongeren treedt wel een complicatie op, aldus Van der Eijk: de categorie 18 tot 30 is tamelijk breed. Denkbaar is dat vooral de categorie 22 tot 26, die vier jaar geleden voor het eerst mocht stemmen en electoraal opgroeide met een PvdA die had afgedaan, nog altijd een afkeer heeft van deze partij. Kiezers blijven de partij waarop ze de eerste keer stemden relatief vaak trouw. Mogelijk zouden de sociaal-democraten onder de 18- tot 22-jarigen weer wat hoger scoren - de enquêtegegevens bieden hierover geen uitsluitsel.

De andere grote winnaar van gisteren is de Socialistische Partij. De SP heeft haar zeteltal meer dan verdubbeld. Maar het grootste deel van die extra zetels - 104 van de 176 - is veroverd in gemeenten waar de partij vier jaar geleden niet deelnam.

Ook de SP doet het niet bijzonder goed onder jongeren. En onder veelverdieners helemaal niet: van degenen die meer dan twee keer modaal verdienen, stemt slechts 2 procent SP, van degenen die minder dan modaal verdienen 15 procent. Geen enkele partij heeft een aanhang die zo eenzijdig naar inkomen is verdeeld.

De PvdA is al lang niet meer de partij van de lagere inkomens. Sterker nog, geen enkele partij heeft een naar inkomen zo evenwichtig verdeelde achterban. “De PvdA is de partij van het brede maatschappelijke midden“, concludeert Van der Eijk. “Dat was het CDA vroeger.“

De christen-democraten leunen in toenemende mate op bovenmodaal verdienende kiezers, net als de VVD. Van der Eijk: “Onder Ed Nijpels had de VVD ook een wervende kracht onder lagere inkomens. Die is afgekalfd.“

De lokale partijen hebben zowel in raadszetels als in stemmenpercentage flink verloren. Voor ruim een derde is dit terug te voeren op het ineenzakken van veel leefbaarpartijen: in Utrecht van 14 naar 3 zetels, in Haarlemmermeer van 11 naar 4, in Nieuwegein van 7 naar 1. Alleen Leefbaar Rotterdam wist zich te handhaven en verloor slechts 3 van de 17 zetels.

Een flink deel van de aanhang van LPF en de leefbaren is thuisgebleven. “Die partijen hebben een mobiliserende werking gehad op kiezers die anders thuisblijven“, zegt Van der Eijk. “Dat is nu veel minder. Anders was de opkomst nog hoger geweest.“

Geert Wilders, die de onvrede landelijk mogelijk zou kunnen verzilveren, nam niet deel aan de raadsverkiezingen. Volgens de enquête van De Hond zou zijn groep goed zijn voor vijf Kamerzetels indien er nu verkiezingen zouden worden gehouden.

Waarom kiezers op een bepaalde partij stemmen is moeilijk te duiden, zeker nu de ondervraagde kiezers een keuze moesten maken uit een multiple-choicelijst. De uitkomst van één van de waarom-vragen is nochtans opmerkelijk. Gevraagd naar of de keuze bij de raadsverkiezingen vooral door het lokale optreden van een partij is bepaald, of dat landelijke argumenten hebben meegespeeld, antwoordt de helft dat dit laatste het geval is. “Het zou heel makkelijk zijn om het sociaal wenselijke antwoord te geven dat vooral op basis van lokale aspecten is gekozen“, zegt Van der Eijk.

Landelijke aspecten duiken ook op in de thema's die volgens de kiezers een belangrijke rol hebben gespeeld in hun overwegingen. Werkgelegenheid staat bovenaan - “Dat is vrijwel altijd zo als het slecht gaat met de economie“, aldus Van der Eijk - direct gevolgd door armoede. Dat armoede zo hoog scoort vindt, Van der Eijk verrassend. “In 2002 had armoede weinig Anklang. Ik denk dat dit komt door de voortdurende discussie over het sociaal-economisch beleid van het kabinet. Een belangrijk deel van het debat tussen kabinet en oppositie heeft zich rond dit thema afgespeeld. Van alle kiezers zegt 59 procent dat armoede een belangrijke rol heeft gespeeld bij het bepalen van hun keuze. Dat is heel hoog, ook historisch gezien.“

Veiligheid en integratie - de issues van vier jaar geleden - zijn gezakt naar de zesde en zevende plaats, achter verkeersproblemen, woningbouw/woonlasten en onderwijs.

Impliceren deze uitslagen een terugkeer naar business as usual in de lokale politiek? “Ja, met alle risico's van dien“, taxeert Van der Eijk. “Want de politieke omgeving is wél veranderd.“ Het is in elk geval te vroeg om aan deze resultaten consequenties te verbinden voor de Kamerverkiezingen van volgend jaar. Van der Eijk: “Ik denk dat geen enkele partij er goed aan doet om zich op basis van deze cijfers rijk te rekenen. Daarvoor zijn er te veel kiezers die meer mogelijkheden openhouden.“