Een man, een plan en een storm

Een jaar geleden bracht het Centraal Planbureau een studie uit waarin werd vastgesteld dat het verdwijnen van arbeidsplaatsen uit Nederland goed is voor de Nederlandse economie. Een staatssecretaris voorzag het geheel van een persberichtje en een uitroepteken en klaar was kees.

Een paar weken geleden meldde de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling in een rapport (Going or Growth) dat Amerikanen gemiddeld een kwart rijker zijn dan Europeanen en dat ze over twintig jaar twee keer zo welvarend zullen zijn. Een Amerikaanse columnist (Fareed Zakaria) was het nota bene die in diverse Europese kranten kwam melden dat het oude continent zich grote zorgen moest maken (Opiniepagina, 14 februari). Her en der verscheen nog een ingezonden reactie, met wat gemopper en de constatering dat wij, Europeanen, in elk geval meer van het leven genieten dan stressende Amerikanen en bezeten Aziatische werkbijen. En klaar was kees.

Het is een onbestemd soort van onbekommerdheid. Het verdwijnen van arbeidsplaatsen - outsourcing - is niet goed. Het is onvermijdelijk. Goed is het alleen wanneer in Nederland, in West-Europa, als gevolg daarvan hoogwaardiger kennis wordt ontwikkeld, zodat het werk dat mensen hier verrichten meer waard wordt dan het was.

Goed is het alleen wanneer bedrijven in Azië investeren, omdat werkkracht daar goedkoper is. Maar wat als mensen daar ook beter zijn?

India heeft bijvoorbeeld al jaren geleden Indian Institutes of Technology opgericht. In de steden Kharagpur, Bombay, Madras, Kanpur, Delhi, Guwahati en Roorkey behoren ze inmiddels tot de internationale topklasse. Lee Kwang Yew, de founding father van het moderne Singapore, zette het hele onderwijs op zijn kop en begon met de inmiddels vermaarde Nanyang Technologische Universiteit. Chinese hogere beroepsopleidingen reikten vorig jaar 700.000 diploma's uit aan nieuwe technisch ingenieurs, India aan 250.000. “Brain gain“ noemen ze dat in India bij wijze van grap, als variant op de brain drain van vroeger toen knappe koppen naar Amerika verhuisden om daar verder te studeren en geld te verdienen.

De gevolgen kunnen enorm zijn, want voordat je het weet verhuizen banen niet alleen naar Azië omdat het daar goedkoper is en de markt ook spannender - jonger - is, maar ook gewoon omdat er meer kennis komt dan er in Europa blijft.

En dan de tanende rijkdom in vergelijking met andere landen, allereerst met Amerika. Dat lijkt niet zo erg, je hoeft toch ook niet wakker te liggen van het feit dat de buurman een grotere auto rijdt?

De werkelijkheid is minder onschuldig. Want of het nu gaat om een ideale hartklep, een fantastisch goede universiteit of een droomboot - het zijn dingen die daar, niet hier, verder kunnen en zullen worden ontwikkeld. En erger nog: het zal een bom onder de solidariteit van West-Europese samenlevingen leggen, waarbij vergeleken de versobering van de huidige verzorgingsstaat kinderspel is. De haves zullen zich de toegang tot die mogelijkheden verschaffen en zullen daarbij de have nots van zich afschudden - goedschiks of kwaadschiks.

Op een of andere manier voelt het publiek nattigheid. Een groot onderzoek van het World Economic Forum wees onlangs uit dat in Europa de helft van de ondervraagden de economische toekomst niet erg rooskleurig inziet. En het is niet alleen de statistiek die hierop wijst. Het publieke debat, het gedrag, de uitingen - kortom, het hele klimaat - laat iets zien van richtingloosheid, mateloosheid en uiteindelijk een grote onzekerheid. Der Spiegel had het onlangs, ook niet verlegen om een al te groot woord, over een “mogelijke instorting van West-Europa als gevolg van globalisering“.

Maar wat te doen? De verleiding is groot om de schuld te leggen bij de vrije handel en de globalisering en om beschutting te zoeken in nationaal protectionisme. Kijk maar eens naar de debatten dezer dagen in Spanje en Frankrijk. Wie heeft er nog zin in een politieke boodschap van verder snoeien in de sociale uitkeringen, langer werken, lagere belastingen? De weinige politici die het hebben geprobeerd, zijn door de kiezer afgestraft. De kiezer heeft er geen zin in en stelt - terecht - de vraag waar dit toe leidt.

Toch weten politici, denktanks en bestuurders al geruime tijd wat er zou moeten gebeuren. Wie voorbereidende rapporten bekijkt voor de Lissabon-agenda van de Europese Unie of onlangs weer voor het Europese technologie-instituut, stuit telkens weer op dezelfde analyse en dezelfde remedie: nodig is een reusachtige herschikking van uitgaven van de verzorgingsstaat naar onderwijs en onderzoek. En toch gebeurt het niet.

Vanuit Azië oogt dit vreemd en men zoekt hier de verklaringen in het oude cliché van de blanke arrogantie. Kishore Mahbubni, een Singaporese diplomaat en intellectueel, schrijft in een prikkelende bundel onder de titel Can Asians Think? wat velen hier denken: “Alleen overmoed kan verklaren waarom zoveel Westerse samenlevingen de economische wetten van de zwaartekracht minachten.“

“Tien bittere jaren“, voorspelde de vroegere Singaporese premier Lee een tijdje geleden, “en dan beseffen ook de mensen in Europa dat hun gemoedelijke naoorlogse wereld verleden tijd is.“

De Europese angstvalligheid doet een beetje denken aan wat de waterbouwkundige Cornelis Lely ooit schijnt te hebben gezegd over Nederland, toen hij de inpoldering van de Zuiderzee maar niet door de Kamer kreeg. Je had daarvoor drie dingen tegelijk nodig: een man, een plan en een storm.

Zo'n storm is er helemaal niet in het oude Europa, het is nu hooguit een guur windje dat maar niet gaat liggen en dat knap op het collectieve humeur werkt.

www.nrc.nl/opinie: Artikel Zakaria “Europa moet op zijn tellen passen'