De puzzelaarster

Marietje van Zanten is 70 en als je bij haar aanbelt zwaait de deur vanzelf open. “Kom maar door“, roept ze vanuit de huiskamer. Daar zit ze aan een tafel vol puzzelboekjes en puzzelwoordenboeken en paperassen. Behalve die bijzondere deur zijn dan de volgende hulpmiddelen al gesignaleerd: een scootmobiel, een trippelstoel, een rollator en een sta-op-stoel (die staat bij het raam voor de tv, dat lijkt op een stoel die probeert overeind te komen uit zichzelf). Ze heeft MS en reuma. “Twee keer levenslang“, zegt ze. Voorzichtig met haar rechterhand. “De uitval is van de MS, de pijn is van de reuma.“

M. van Zanten (Arnhem, 31 aug. '35) woont in Arnhem. Nederland, Arnhem, 01-03-2006 Maria 'Marietje' van Zanten PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Maar laten we bij het begin beginnen. “Waar bent u geboren?“

“In Arnhem.“

“Natuurlijk. Wáár in Arnhem?“

“O, dat weet ik niet meer.“

“Waar woonden uw vader en moeder toen u geboren werd?“

“Nee, dat weet ik niet. Wel dat we katholiek waren.“

“Wat dééd uw vader?“

“Dat weet ik ook niet. En van de oorlog weet ik ook niks. Ik geloof dat ik toen op school zat bij de nonnen in Den Bosch.“

“Maar u herinnert u zich uw vader toch wel?“

“Die is in de oorlog verdwenen.“

“Doodgeschoten, verongelukt?“

“Dat weet ik niet.“

“En uw zuster...u zei net dat uw zuster vanmorgen langs was geweest...zou die dat wél weten?“

“Nee hoor, die ook niet.“

“Nou, daar zijn we mooi klaar mee“, zeg ik. Ze vindt het wel een beetje gek dat ze dat allemaal niet weet, maar ze gaat er niet bepaald onder gebukt. Bij elk “dat weet ik niet“ begint ze hartelijk te lachen. Slecht geheugen, goed humeur.

Op zeker moment blijkt ze een schoondochter en twee kleinkinderen te hebben. Een zoon moet er dus ook zijn. “Maar u bent“, zeg ik, “nooit getrouwd geweest.“

“Maar dan kun je nog wel een zoon hebben.“

“Wanneer is hij geboren?“

“In 1959.“

“Was uw moeder niet boos toen u moest zeggen dat u in verwachting was?“

“Welnee. Zij heeft de eerste tien jaar voor hem gezorgd.“

“Werd je niet nagewezen op straat?“

“Dat weet ik niet meer.“

Nu begrijp ik het. Dit is een test. Zij gaat me niets vertellen (wat uiteraard haar goed recht is) en daar moet ik dan een verhaal van zien te maken. Maar wacht, daar komt wat.

Haar eerste baantje was achter de naaimachine in een overhemdenatelier in de buurt van de Korenmarkt. Daarna heeft ze in Luxor gewerkt, de bioscoop. Daarna heeft ze kranten bezorgd. Daarna is ze bij de gemeente gekomen, scholen schoonmaken, elfenhalf jaar lang. “En toen ben ik bij een mevrouw op de Hoogkamp gaan werken. Ik was daar... dat beroep bestaat niet meer...“

“Huishoudster?“

“Huishoudster! Ik zorgde voor de kinderen. Die kinderen zie ik nog wel eens, en háár ook, en hém ook. Die waren toen zoveel jaar getrouwd en toen zijn we naar de dierentuin geweest; dat was wel de laatste keer.“

In 1975 werd ze afgekeurd. Beide knieën versleten. En wat ze wel degelijk weet: namen en uitspraken van de specialisten bij wie ze in de loop der jaren onder behandeling was.

Bijna al die jaren woonde ze in zo'n groot flatgebouw aan de rand van Zuid. “Mooi uitzicht“, zeg ik. Maar ze zat op de eerste verdieping en er kwamen steeds meer Turken te wonen, en die stonden de hele dag van beneden naar boven te schreeuwen en ze gooiden vuilniszakken en van alles en nog wat van boven naar beneden. “Je kon gewoon niet meer op het balkon zitten.“ Nu in dit aangepaste bejaardenwoninkje, elders in Zuid. “Ik ben heel blij met dit huis.“ Ook hier komt ze buitenlanders tegen, als ze met haar scootmobiel naar de supermarkt moet, groepjes jongelui op de stoep. “Sommigen“, zegt ze, “hebben daar schrik voor. Maar ik ben altijd vriendelijk, ik zeg altijd gedag, ze gaan voor mij altijd opzij, ik zeg altijd dankjewel.“

's Morgens staat ze zelf op. Dan komen ze van de thuiszorg om haar te helpen met douchen en aankleden. 's Avonds komen ze haar helpen met uitkleden, en dan gaat ze zelf weer naar bed, maar nooit voor een uur of twaalf, één.

“En wat hebt u in de tussentijd gedaan?“

“Puzzelen“, zegt ze. “Met mijn linkerhand, de rechter doet het niet meer. Káárten kan ik niet meer. Ik kan niet schudden, ik kan niet delen, ik kan mijn eigen kaarten niet vasthouden.“

“Alleen maar puzzelen?“

Nou ja puzzelen, nu en dan een boodschapje en dan doet ze nog wat naaiwerk. Een leuk rokje voor haar kleindochter, een makkelijke broek voor zichzelf en eigenlijk moet er nu een dun zomerjasje komen. “Coupeuse is mijn vak“, zegt ze. “Daar ben ik voor naar school geweest.“ Kijk eens aan.

Maaltijden van tafeltje-dek-je. Daarvoor krijgt ze een financiële vergoeding van de SWOA, Stichting Welzijn Ouderen Arnhem. “Dat betekent dat u erg weinig geld hebt“, zeg ik.

Alleen AOW dus en een pensioentje van die gemeentejaren. Van het kleingeld dat in haar portemonnee terechtkomt, legt ze steeds wat opzij om de kleinkinderen iets te kunnen geven als ze met hun rapport komen of op vakantie gaan. Soms verwent ze zichzelf met een puntje vlaai voor het weekend. Laatste heeft ze voor 3 euro een plantje gekocht bij de Aldi.

Zeker, de supermarktoorlog wordt hier met spanning gevolgd, ongeadresseerd drukwerk is hier altijd welkom. Een krantje van de Coöp: twee pakken Douwe Egberts voor 2,99 euro. Een krantje van Albert Heijn, meteen daaroverheen: twee pakken Douwe Egberts voor 2,61 euro. “Er wordt hier“, zegt ze, “veel koffie gedronken.“

En wat ze ook heel goed weet: wat je aan de ene instantie moet afdragen kun je vaak bij de andere weer terugkrijgen. Daar heeft ze een zekere Bernadette voor. Als er iets moet worden aangevraagd of ingevuld, laat ze dan aan Bernadette weten en die stuurt dan iemand om het te regelen. Het enige is: je moet altijd alles bewaren. Zachtjes legt ze haar rechterhand op de paperassen naast haar opengeslagen puzzelboekje.

“Kortom“, zeg ik, “het valt allemaal niet mee, maar u klaagt niet.“

“Ik klaag niet“, beaamt ze. “Ik klaag niet bij anderen en zij hoeven bij mij ook niet te komen klagen. Klagen helpt niet.“

“Wat ouder' is een serie gesprekken met mensen die zeventig zijn.