Steeds minder lachende leidsters

Een slecht kinderdagverblijf is vooral slecht voor angstige of agressieve peuters. En er zijn nu meer slechte crèches dan tien jaar geleden, zo blijkt uit een nieuw promotieonderzoek.

Poppenhoek in een Haags kinderdagverblijf. Vooral voor angstige of agressieve peuters is de kwaliteit doorslaggevend. (Foto Roel Rozenburg) DENHAAG:13NOV2003 Kinderdagverblijf 'Tinkelbel'. FOTO ROEL ROZENBURG Rozenburg, Roel

Te weinig speelgoed, een akoestiek die elk geluid harder maakt, een jongetje dat alles van de andere kinderen afpakt en een leidster die alleen maar pas op! en mag niet! roept. Dat was het ergste dat Mirjam Gevers Deynoot meemaakte in de maanden dat ze in negenendertig kinderdagverblijven het gedrag van peuters observeerde.

Maar ze zag ook leidsters die lachten naar elke peuter die een mooi blokje of een zandtaartje kwam laten zien en dan goed zo zeiden, of mag ik er ook slagroom op? ‘En dan gaven ze ondertussen een baby de fles. Ze waren ontspannen. Ze hadden op een prettige manier controle.’

Mirjam Gevers Deynoot, pedagoog, onderzocht wat in Nederland niet eerder wetenschappelijk was onderzocht: hoe kinderen van nul tot vier jaar in kinderdagverblijven met elkaar omgaan. Wat voor ervaringen doen ze op met andere kinderen en met leidsters? Positieve? Negatieve? Op de resultaten van dat onderzoek - Young children's behavior and experiences in child care centers: a longitudinal study - promoveerde ze afgelopen vrijdag aan de Universiteit van Amsterdam.

De belangrijkste conclusie is dat het voor kinderen veel kan uitmaken of ze naar een goed of een slecht kinderdagverblijf gaan. ‘Kwaliteit doet ertoe’, zegt Mirjam Gevers Deynoot. In een slecht kinderdagverblijf gaan angstige, teruggetrokken kinderen weinig met andere kinderen om, waardoor ze minder kans hebben om sociale vaardigheden te ontwikkelen. En kinderen die agressief tegen andere kinderen zijn, worden niet gestimuleerd om zich anders te gedragen en blijven agressief doen.

Deze conclusie wordt belangrijker door de resultaten van onderzoek naar de kwaliteit van kinderdagverblijven. Mirjam Gevers Deynoot stelde vast dat die kwaliteit tussen 1995 en 2001 minder is geworden. In 1995, zegt ze in haar proefschrift, waren er in Nederland naar internationale maatstaven geen slechte kinderdagverblijven. In 2001 was ruim één op de twintig slecht.

Volgens het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek (NCKO) - waarin psychologen en pedagogen uit Nijmegen, Amsterdam en Leiden samenwerken - is nu veertig procent van de kinderdagverblijven slecht. Het zou komen door het gebrek aan goede leidsters en door de snelle stijging van het aantal plaatsen in kinderdagverblijven: 20.000 in 1990, meer dan 100.000 in 2005.

Mirjam Gevers Deynoot gebruikte de Infant/Toddler Environment Rating Scale om de kwaliteit van kinderdagverblijven te meten - een methode waarbij punten worden gegeven voor inrichting, verzorging, sociale interactie, taalervaringen en leeractiviteiten. Vooral op die laatste twee onderdelen bleken kinderdagverblijven achteruit te zijn gegaan.

Waar wordt dan naar gekeken? Of er genoeg speelgoed is, en wat voor speelgoed. Blokken? Puzzels? Boekjes? Zijn die puzzels en boekjes niet te gemakkelijk of te moeilijk? Kunnen kinderen ze zelf pakken? Mogen ze ze ook pakken? Helpt de leidster hen als ze iets niet snappen? Wordt er gespeeld met de kinderen? Of wordt er alleen maar op hen gepast? En hoe wordt er tegen hen gepraat?

Negenendertig jongens en eenendertig meisjes observeerde Mirjam Gevers Deynoot, thuis en in het kinderdagverblijf. Eerst toen ze vijftien maanden waren, acht maanden later nog een keer. Ze maakte video-opnamen - negentig minuten per kind als ze vrij speelden, vijftien minuten samen met hun ouders of een leidster. ‘Mensen zeggen dat een kinderdagverblijf leuk of goed is voor kinderen omdat ze contact met andere kinderen hebben’, zegt ze. ‘Maar hoe vaak is dat contact er? En wat voor contact is het?’

Dit is wat ze zag: in negentig minuten hebben kinderen van vijftien maanden gemiddeld veertig keer contact met een ander kind, waarvan twintig keer positief (knuffelen, iets geven, meenemen om samen iets te doen) en twintig keer negatief (slaan, duwen, iets afpakken). Met de leidster is er in die negentig minuten gemiddeld tachtig keer contact, waarvan in een goed kinderdagverblijf zeventig keer positief (complimenteren, toelachen).

Acht maanden later hebben kinderen nog even veel contact met andere kinderen, en nog even vaak positief en negatief. Maar het aantal contacten met de leidster is afgenomen van tachtig naar zestig.

Ze zag ook dat negatief en vervelend gedrag bij kinderen van vijftien maanden goed voorspelt hoe die kinderen zich acht maanden later gedragen: nog steeds negatief en vervelend. Het zijn de kinderen - vooral jongens - die alleen naar een ander kind toegaan om het te pesten. ‘In goede kinderdagverblijven’, zegt Mirjam Gevers Deynoot, ‘proberen leidsters die kinderen af te leiden, geven ze hun iets anders om mee te spelen. In een slecht kinderdagverblijf wordt er alleen maar tegen ze gesnauwd. En dan wordt dat gedrag erger.’

In een goed kinderdagverblijf, zegt ze ook, nemen leidsters een angstig kind op schoot als er een nieuw spelletje met de hele groep wordt gedaan. Of ze houden het kind vast als het voor het eerst van de glijbaan gaat. In een slecht kinderdagverblijf merken leidsters het niet eens als een kind in een hoekje blijft zitten. Lekker rustig.

Wat is de boodschap van Mirjam Gevers Deynoot? Meer leidsters voor de kinderen van nul tot twee jaar. Niet één leidster per vier á vijf kinderen, zoals nu. Maar één leidster per drie kinderen. ‘Je hoeft niet heel goed te kijken om te zien dat een leidster die voor drie kinderen zorgt rustiger is en meer aandacht kan geven.’ En voor heel jonge kinderen, zegt ze, maakt dat echt wat uit. ‘Die zijn allemaal kwetsbaar.’ Ze vindt ook dat leidsters in kinderdagverblijven beter moeten worden opgeleid, met veel aandacht voor ontwikkelingspsychologie en voor de omgang met verschillende soorten kinderen.