Solidariteit is niet altijd feest

In het publieke debat worden de negatieve aspecten van solidariteit niet zelden over het hoofd gezien, bijvoorbeeld de druk je te conformeren binnen solidaire groepen, beoogt Aafke Komter. Dat de solidariteit tussen verschillende bevolkingsgroepen in hetzelfde land moeilijk te organiseren is, kan betreurd worden, maar het is een feit, meent Maarten Rothman.

In de discussie tussen Wouter Bos en Elsbeth Etty (NRC Handelsblad, 8 en 14 februari) valt op hoe slordig met name de laatste het begrip solidariteit hanteert. Vijf stellingen terzake kunnen verhelderend werken.

1. Solidariteit: normatief en descriptief. In de politiek overheerst een normatieve opvatting van solidariteit: solidariteit gemotiveerd door bepaalde politieke, ethische en sociale idealen. Etty verwijt Bos dat hij de mensenrechten en de internationale rechtsorde veronachtzaamt, wanneer hij stelt dat voor velen het hemd nader dan de rok is. Zij heeft voornamelijk oog voor de normatieve invulling, terwijl Bos wel een onderscheid tussen beide concepties maakt. Vanuit een descriptief standpunt bezien roept solidariteit vragen op als: waarom gaan mensen sociale bindingen aan, hoe slagen ze erin om deze banden te handhaven, en onder welke condities dragen ze bij aan het algemene belang? Etty verwart een normatief oordeel over solidariteit met een analyse van de realiteit.

2. Solidariteit: formeel en informeel. Solidariteit kan formeel zijn zoals in de arrangementen van de verzorgingsstaat. Voorbeelden van informele solidariteit zijn arbeiderssolidariteit, de solidariteit van vrijwilligers, familiesolidariteit en de solidariteit van het girobiljet. De kleinschalige solidariteit binnen een familie of een buurt verschilt van de grootschalige solidariteit van de verzorgingsstaat of de vakbond. Etty en Bos laten allerlei vormen van solidariteit de revue passeren, maar onderkennen niet dat hierbij verschillende soorten belangen en motieven horen.

3. Ondanks haar variëteit heeft solidariteit ook gemeenschappelijke elementen die het gebruik van één concept rechtvaardigen: gedeelde belangen of doelen, identificatie, wederzijdse afhankelijkheid en gedeelde waarden. Mensen gaan bindingen met elkaar aan omdat ze bepaalde belangen delen. Identificatie is fundamenteel voor groepsvorming. Een bepaalde mate van onderlinge afhankelijkheid is nodig om gemeenschappelijke doelen te bereiken. Gedeelde waarden helpen bij het bereiken van die groepsdoelen. Zoals antropologen en biologen hebben aangetoond, diende solidariteit oorspronkelijk de overleving van de soort, waardoor solidariteit inherent is verbonden met eigenbelang.

4. Motieven voor solidariteit variëren van altruïsme tot eigenbelang. Verwanten en familieleden wisselen goederen en diensten uit zonder duidelijke verwachtingen iets terug te krijgen. ‘Kindred goes with kindness', constateerde de antropoloog Tylor. Bij uitzondering handelen mensen solidair jegens onbekenden in nood, maar in het algemeen is het altruïstische motief gereserveerd voor naaste verwanten en dierbaren. Hulp aan vrienden of betrekkelijke onbekenden is meestal gebaseerd op het principe van min of meer gelijke uitwisseling. Antropologen hebben aangetoond dat hoe groter de sociale afstand, hoe meer solidariteit op eigenbelang is gebaseerd. Etty meent dat ‘de metafoor van het eigenbelang een platitude is’. Nu is eigenbelang noch een metafoor, noch een platitude (alweer een moreel oordeel) maar een van de motoren die mensen die met elkaar samenleven aanzetten tot het vinden van gemeenschappelijke oplossingen.

5. In het publieke debat worden de negatieve aspecten van solidariteit doorgaans over het hoofd gezien. Binnen het oud-linkse gedachtegoed zijn ze onvoldoende onderkend (of verdrongen), en ook Etty heeft er weinig oog voor. Negatieve aspecten van solidariteit zijn bijvoorbeeld free-riding en de druk tot conformisme binnen solidaire groepen. Bovendien zijn solidariteit en uitsluiting twee kanten van dezelfde medaille. Groepen met uitgesproken religieuze, etnische of politieke overtuigingen zien niet-groepsleden doorgaans als vijanden. Dit gaat vaak ten koste van individuele autonomie binnen de eigen groep, maar soms ook van mensenlevens daarbuiten; denk aan terroristische groeperingen, de etnische zuivering in voormalig Joegoslavië of de wreedheden van het sovjetcommunisme. Etty's morele oproep tot meer solidariteit helpt niet om dergelijke negatieve gevolgen van sterke interne groepssolidariteit tegen te gaan. Wat dan wel te doen? Omdat bij een kleinere sociale afstand eigenbelang minder prominent is, zou je moeten proberen de sociale scheiding tussen groepen burgers te verkleinen en daarmee identificatiemogelijkheden te vergroten. Ook verkleining van de organisatieschaal van maatschappelijke instituties bevordert onderlinge betrokkenheid en solidariteit. Ten slotte is sociaal-economische ongelijkheid een obstakel. Ongelijkheid in hulpbronnen genereert gevoelens van verongelijktheid, wrok en gediscrimineerd worden. Het langdurig negeren of verwaarlozen van de sociale gevolgen van marginalisering is desastreus voor maatschappelijke solidariteit. Uiteindelijk krijgt elke samenleving de solidariteit die zij verdient.

Aafke Komter is als hoogleraar Vergelijkende studies van maatschappelijke solidariteit en als Head of the Department of Social Science verbonden aan het University College van de Universiteit Utrecht.

    • Aafke Komter