De gratis Britse gezondheidszorg blijft nog steeds veel te duur

De Britse regering investeert miljoenen in de gezondheidszorg van de staat. De wachtlijsten zijn geslonken. Maar echte hervormingen blijven uit en de kosten lopen steeds verder op.

De National Health Service (NHS), de gezondheidsdienst die het leeuwendeel van de Britten al sinds 1948 van gratis medische zorg voorziet, kent vele gedaantes.

Neem het Ampthill Square Medical Centre in de Noord-Londense wijk Camden, een kliniekje dat de rol van de Nederlandse huisarts vervult. Het is gevestigd in een vervallen bakstenen gebouwtje, ingeklemd tussen naargeestige flatgebouwen uit de jaren zestig. Binnen staan plastic grijze kuipstoeltjes die kennelijk al generaties lang meegaan.

Achter de balie huizen dames die liever met elkaar praten dan met binnenkomende patiënten. Verzoeken of suggesties van patiënten poeieren ze steevast af en resultaten van eenvoudige bloedproefjes zijn dagenlang onvindbaar in de stoffige dossiermappen achter hen.

De vier artsen die er werken geven patiënten bij binnenkomst geen hand en lijken steeds te snakken naar het einde van het onderhoud. Alleen een opgewekte verpleegster geeft mensen enigszins het gevoel dat ze hier welkom zijn. Ik spreek uit ervaring, want tot voor kort stonden mijn vrouw en ik bij deze voorpost van de NHS ingeschreven.

‘De NHS is gewoon een ramp’ , roept een dame bij het verlaten van het kliniekje. ‘Niet alleen door de bureaucratie maar ook qua behandeling. Ik heb geen tijd u dat allemaal uit te leggen. Ik heb al zoveel tijd verloren.’

De NHS, die geheel in overheidshanden is en uit belastinggelden wordt gefinancierd, kan zich echter ook in een heel andere gedaante voordoen. Een kilometer ten zuiden van Ampthill Square staat University College Hospital, een gloednieuwe kolos van witgeverfd staal en glimmende groene glasplaten. Binnen overheersen kalmerende pasteltinten en hangt kunst aan de muur om patiënten en staf op hun gemak te stellen.

Voor de ingang zet Colin Bound zijn kraag overeind tegen de gure wind. Hij is zojuist bij zijn vrouw geweest, die herstellende is van een zware nieroperatie nadat er kanker bij haar was vastgesteld.

Bound, een man van een jaar of zestig, is vol lof over de wijze waarop zijn vrouw is behandeld. ‘Ze hebben haar ziekte snel onderkend. Binnen een week kon ze hier terecht en zowel de artsen als het verplegend personeel zijn voortreffelijk’, zegt hij, terwijl het verkeer voorbij davert op Euston Road, een van Londens drukste verkeersaders.

University College Hospital, dat vorig jaar zijn nieuwe behuizing à raison van 422 miljoen pond (630 miljoen euro) betrok, is een paradepaardje van de Britse gezondheidszorg. Het ziekenhuis behoort tot een elite die van de Labour-regering een grote mate van autonomie heeft gekregen. Dat is overigens wennen. Meteen al worstelt de bedrijfsleiding met aanzienlijke financiële tekorten.

Toen ze in 1997 aantrad, was de regering van premier Tony Blair vastbesloten de NHS, die danig in verval was geraakt, nieuw leven in te blazen. Labour bleef er echter van overtuigd dat ook in de 21ste eeuw een gezondheidsdienst in overheidshanden nog steeds het beste is voor het land. Een organisatie die alles doet: van oren uitspuiten tot laboratoriumonderzoek. Daarom pompten Blair en zijn minister van Financiën Gordon Brown miljarden ponden extra in de NHS.

In acht jaar tijd is de begroting voor volksgezondheid meer dan verdubbeld. Nog in 2003 lag Groot-Brittannië in de Europese achterhoede met uitgaven voor de gezondheidszorg, die op 7,7 procent van zijn nationaal product lagen. Brown wil dat in 2010 tot ruim 10 procent hebben opgekrikt.

Maar de resultaten van de enorme financiële injectie in de NHS zijn niet overal even indrukwekkend. Waar is het geld gebleven, vragen veel Britten zich dezer dagen af.

Een eenvoudige verklaring is dat een groot deel is opgegaan aan hogere salarissen en pensioenvoorzieningen voor de staf, die al jaren slecht bedeeld was geweest. Daarnaast is er vooruitgang geboekt op het terrein van de wachtlijsten, lange tijd een van de belangrijkste grieven van patiënten. Waren er in 2000 nog ruim 250.000 Britten die langer dan zes maanden op een operatie moesten wachten, vier jaar later was dat geslonken tot minder dan 70.000.

Paradoxaal genoeg is er toch weer geldnood. ‘Wij hebben in ons ziekenhuis onlangs de helft van de intensive care-bedden op de afdelingen neurologie en chirurgie moeten afstoten wegens geldgebrek’, zegt een neuroloog in Londen.

De regering wil intussen patiënten in de gelegenheid stellen uit vier verschillende behandelcentra te kiezen. Vooralsnog is dat echter een papieren exercitie. ‘Veel patiënten willen graag door hun huisartsen naar ons neurologische centrum worden doorverwezen’, zegt de neuroloog. ‘Maar dat doen ze niet omdat zulke specialistische zorg duur is en ten koste van hun budgetten gaat.’

Heel aarzelend doet ook de particuliere sector zijn intrede op NHS-terrein. De regering laat particuliere gezondheidsinstellingen nu soms routinebehandelingen als staar- en heupoperaties bij NHS-patiënten uitvoeren. De regering betaalt ook die kosten.

Volgens Nick Bosanquet, hoogleraar volksgezondheidsbeleid aan Imperial College, gaan de hervormingen niet ver genoeg. ‘Het is al dertig jaar duidelijk dat het systeem van de NHS niet meer werkt. De regering heeft er nu veel geld in gepompt zonder echt te hervormen. Dat is de verkeerde volgorde. De kosten lopen alleen maar verder uit de hand’, zegt hij. ‘Een land als Denemarken heeft goede resultaten geboekt met financiële prikkels voor patiënten. Nederland pioniert nu met een nieuw stelsel. Ik wou dat wij dat ook hadden gedaan, ik ben echt jaloers op u.’

    • Floris van Straaten