Autonomie scholen kent grenzen

De periode van de grand designs in het onderwijs ligt voorgoed achter ons. Maar op onderdelen blijft centrale regie nodig, menen Jan van den Akker en Albertjan Peters.

Scholen, leraren en leerlingen krijgen hoe langer hoe meer vrijheid en keuzemogelijkheden. Vrijwel nergens in Europa zijn deregulering en autonomie zo groot als in Nederland. In toenemende mate ligt de zeggenschap over doelen, inhoud en organisatie van het leren bij de direct betrokkenen zelf. Meer dan voorheen begrijpen we dat succesvolle verbetering en vernieuwing van het onderwijs gebaat is bij actieve betrokkenheid van de deelnemers zelf. Grote afstand tussen centrale tekentafels en de uitvoeringspraktijk is heilloos.

Bij die krachtige decentralisatie past een navenante overheveling van financiële middelen voor ontwikkeling en innovatie naar de onderwijspraktijk. Ook die operatie heeft zich de afgelopen jaren in hoog tempo voltrokken. Het overgrote deel van de beschikbare overheidsgelden is inmiddels in handen van de scholen. En dat is goed.

Maar de effectiviteit van autonomie van schoolbesturen en directies kent ook beperkingen. Her en der het wiel opnieuw uitvinden is niet altijd efficiënt. Bovendien beperkt het de mogelijkheden voor het aanpakken van algemene onderwerpen. Terwijl er toch forse uitdagingen van publiek belang zijn, die bundeling van krachten en een samenhangende regie vergen. Naast de behoefte aan profilering van scholen, professionele autonomie voor leraren en keuzemogelijkheden voor leerlingen (en hun ouders), blijft er behoefte aan gemeenschappelijke regels en normen voor leren en onderwijzen.

Daar zijn diverse motieven voor. Bij velen leeft de wens tot een heldere selectie van wat we uit ons culturele erfgoed aan de jeugd willen overdragen, getuige bijvoorbeeld de canondiscussie. Ook krachtige trends op het vlak van internationalisering (hoe willen we dat Nederland zich in de wereld opstelt?) en ICT-toepassingen (hoe de vele mogelijkheden zinvol te benutten?) roepen vragen op die afzonderlijke scholen te boven gaan en een meer samenhangende regie vereisen.

Datzelfde geldt voor de noodzaak tot een betere aansluiting tussen schooltypen in doorlopende ‘leerwegen'. Wegens de overdaad aan wensen vanuit maatschappij en wetenschap kunnen we constateren dat de leerplannen nu veel te overladen en versnipperd zijn. Om daaraan iets te doen, zijn scherpe keuzes onvermijdelijk, ook als men afzonderlijke vakken verbreedt naar leergebieden. Dat vereist zorgvuldigheid. Het gaat hier niet alleen om het maken van inhoudelijke keuzes, maar ook om daarvoor steun te verwerven in de samenleving met het oog op een meer duurzame onderwijsontwikkeling.

Bij de innovaties van ons onderwijs heeft de overheid zich in de loop der jaren stiefmoederlijk gedragen als het ging om investeringen in de professionele toerusting van leraren. En nu de gelden meer bij scholen (c.q. hun besturen) zelf liggen, blijven er nog steeds vele mogelijkheden onbenut. Gelukkig lijkt er nu een beweging ingezet naar meer regionale krachtenbundeling rondom lerarenopleidingen en nascholing, waaraan ook activiteiten op het vlak van schoolontwikkeling, begeleiding, innovatie en onderzoek gekoppeld worden.

Continue ontwikkeling via samenwerking door partners van diverse pluimage, dichtbij de praktijk, lijkt een verstandige strategie. Scholen zitten niet meer te wachten op landelijk dwingende kaders voor de inrichting van hun onderwijs. Wel laten ze zich bij hun herontwerp graag inspireren door veelbelovende praktijkvoorbeelden van elders. Enige centrale regie en investeringen zijn nodig om hier iets aan te doen. Niet voor niets adviseerde de Onderwijsraad onlangs nog innovaties grondig op hun effectiviteit te beproeven alvorens tot grootschalige invoering over te gaan. Het zou al winst zijn als er ruimte en middelen zouden zijn om onderwijsvernieuwingen zorgvuldig te ontwerpen.

De periode van de grand designs ligt voorgoed achter ons. Autonomievergroting kan de vaak chagrijnige verhoudingen in het onderwijs ontspannen en de ondernemingszin aanwakkeren, maar kent ook haar beperkingen.

Op onderdelen blijft centrale regie nodig. Hierdoor wordt versnippering van expertise en middelen voorkomen. Scholen, overheid en wetenschap kunnen zich meer richten op de doelen en inhouden van leren, en niet alleen op vormkwesties die nu vaak onderwijsdiscussies domineren.

Jan van den Akker en Albertjan Peters vormen de directie van SLO, het nationaal expertisecentrum voor leerplanontwikkeling - Van den Akker als directeur leerplanontwikkeling (tevens hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit Twente), Peters als algemeen directeur.