Waterteunisbloem

Onlangs is in Amsterdam met een klein symposium de lancering van een website over plantennamen gevierd. De website, PLAND geheten, is gemaakt door het Meertens Instituut en bevat zo'n 200.000 namen van planten.

Op dat symposium gebeurde iets interessants. De meeste sprekers waren taalkundigen - dialectologen, etymologen of lexicografen. Maar er sprak ook een bioloog, namelijk Ruud van der Meijden van het Nationaal Herbarium Nederland in Leiden, beter bekend als het Rijksherbarium.

Van der Meijden is sinds 1980 de bewerker van Heukels' flora van Nederland - het standaardwerk over de Nederlandse planten. De grote motor achter de website PLAND is Har Brok, een van de grootste deskundigen, zo niet dé grootste, op het gebied van namen voor planten in de Nederlandse en Vlaamse dialecten.

Brok heeft veel onderzoek gedaan naar de herkomst van die volksnamen. Bij dergelijk onderzoek wordt vaak van alles overhoop gehaald om aannemelijk te maken hoe een plant aan zijn naam is gekomen. Planten hebben doorgaans verschillende namen in verschillende streken, wat het er niet makkelijker op maakt. De grondige bestudering van de namen van één plant kan al maanden werk opleveren.

Er ging dan ook een kleine schok door de zaal toen Van der Meijden vertelde hoe het er soms aan toegaat bij het bedenken van nieuwe plantennamen. Zoals bekend heeft een plant een wetenschappelijke naam (in het Latijn) en een Nederlandse naam. Alle van oorsprong Nederlandse planten zijn inmiddels wel beschreven, maar jaarlijks worden hier planten aangetroffen die oorspronkelijk uit het buitenland komen (bijvoorbeeld uit Duitsland, Frankrijk of Noord-Amerika). Daar moet dan een Nederlandse naam voor worden bedacht.

Soms gebeurt dat in grote haast, vertelde Van der Meijden. Zoals in augustus 2000, toen het ANP wilde melden dat in Nederlandse sloten, meren en rivieren een invasie dreigde van de Ludwigia grandiflora, een plant die in Frankrijk en België al bekend was, maar die nog geen Nederlandse naam had. 'Daar hebben we nog geen naam voor', zei Van der Meijden tegen de ANP-journalist, maar die antwoordde: 'Dan verzin je er maar een. Met de Latijnse naam kunnen wij niet uit de voeten.'

Een kleine tien seconden later, aldus Van der Meijden, was de naam waterteunisbloem geboren. Je zag de etymologen in de zaal verstijven. Niet omdat het een slechte naam was, maar omdat zij voorzagen hoe iemand zich in de toekomst over de herkomst van dit woord zou buigen. Waterteunisbloem, hmm, teunisbloem is een 19de-eeuwse verbastering van Tunisbloem (een vertaling van het Franse fleur de Tunis), maar vanwaar het woorddeel water-? En sinds wanneer?

Sinds het ANP Van der Meijden voor het blok zette. Overigens met succes, want nog diezelfde dag spraken zowel het NOS Journaal als de kranten van de waterteunisbloem alsof die naam altijd al had bestaan.

Komt dat nou vaak voor, dat biologen - al dan niet uit de losse pols - nieuwe plantennamen verzinnen? Ja, alleen in de jongste editie van de Heukels zijn het er al een stuk of honderd, aldus Van der Meijden. Het gaat om namen als dikkemanskruid, doorwaskervel, franjekelk, gevlamde fijnstraal, kruipklokje, marjoleinbekje, moeraslantaarn, moespimpernel, prachtrozenkransje, Rijncentaurie, schijnpapaver, straatwolfsmelk, varkensvenkel, walstroleeuwenbek en zilverkruiskruid.

En, is er over deze namen nou veel contact geweest tussen de bioloog van de Heukels en de taalkundigen van bijvoorbeeld het Meertens Instituut? Nee, precies nul keer in ruim een kwart eeuw.

Hier en daar in de zaal meende ik een lichte hoofdpijn te zien opkomen.