Minister Bot begrijpt zijn eigen CDA niet zo goed

Minister Bot (CDA) is teleurgesteld dat zijn eigen partij tegen toetreding van Roemenië en Bulgarije tot de EU heeft gestemd. Hij hoopt op een andere keuze straks in de Senaat.

'Nog steeds onbegrijpelijk', vindt minister Bernard Bot (Buitenlandse Zaken) het dat zijn eigen partij, het CDA, vorige maand in de Tweede kamer heeft gestemd tegen ratificatie van het toetredingsverdrag van Roemenië en Bulgarije tot de Europese Unie. Maar hij geeft de moed nog niet op dat hij zijn partijgenoten in de Eerste Kamer later deze maand wél kan overtuigen.

Daarvoor heeft hij vorige week, tijdens een bezoek aan de hoofdsteden van de nieuwe toetreders, Boekarest en Sofia, naar eigen zeggen 'genoeg steekhoudend materiaal' gevonden: de ijver van de nieuwe Roemeense minister van Justitie, Monica Macovei, bijvoorbeeld die tegen ongeveer 750 corrupte hoge ambtenaren, parlementsleden en anderen strafvervolging wegens corruptie in gang heeft gezet.

Bot heeft het vaak moeten horen, tijdens zijn bezoek aan Bulgarije en Roemenië - dat de toetreding tot de EU van deze beide landen in het Nederlandse parlement op tegenstand gestuit is. Het verzet van het CDA is overigens niet van invloed op de Nederlandse ratificatie van het Toetredingsverdrag, die op een ruime meerderheid in beide Kamers van het Nederlandse parlement steunt, mét of zonder het CDA.

De Nederlandse minister sprak tijdens zijn bezoek geruststellende woorden: het komt wel goed en Nederland zal ook proberen te voorkomen dat - zoals in het Toetredingsverdrag mogelijk is - het lidmaatschap van Roemenië of Bulgarije met een jaar wordt uitgesteld: van 1 januari 2007 naar 1 januari 2008.

In één adem zei de Nederlandse minister er steeds bij dat beide landen dan wel ernst moeten maken met zaken als de bestrijding van corruptie en de vestiging van een serieuze rechtsstaat. 'Die boodschap is steeds dezelfde', zei Bot tussen zijn ontmoetingen met ministers, premiers, parlementsleden of vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties door. Zijn conclusie na de bezoeken: in beide landen is die ernst nu aanwezig, al is er sprake van een 'gemengd beeld'.

Het streven telt in dit verband, want het is niet realistisch te verwachten dat in Roemenië en Bulgarije alles koek en ei zal zijn en bijvoorbeeld corruptie snel uitgebannen is: 'Een maatschappij verander je niet van de ene dag op de andere. Waar het om gaat, is dat er strenge maatregelen worden genomen'.

Met name in Roemenië is er volgens Bot nog veel te doen: de bureaucratie werkt traag, ambtenaren blijken de wetgeving niet te kennen - om een paar problemen te noemen. Maar het is naar zijn mening niet fair om aan de twee Balkanlanden ál te hoge eisen te stellen. 'Ten aanzien van corruptie kennen deze landen geen wezenlijk andere problematiek dan sommige van de landen die in 2004 al tot de EU zijn toegetreden', meent Bot.

Het jaar uitstel waartoe het Toetredingsverdrag de mogelijkheid biedt, lijkt Bot een slecht idee. 'Dat zou voor beide landen een grote teleurstelling zijn en een politiek vérgaand besluit. Beide landen worden geregeerd door moeizame coalitieregeringen, die de finish goed willen halen'.

Uitstel zou, meent Bot, dat streven ook in de publieke opinie in de landen geen goed doen, en als een chicane worden ervaren. Daardoor komt het beoogde doel, meer corruptiebestrijding en andere hervormingen, zeker niet dichterbij. Het zou bovendien een verkeerd signaal zijn voor andere Balkan-landen die op termijn lid van de Unie willen worden: 'Zo van, zie je wel, wat je ook doet, het maakt niks uit, ze moeten ons toch niet, wat we ook aan hervormingen doorvoeren'.

Bot is het met eurocommissaris Rehn (Uitbreiding) eens dat het wellicht beter is de finale beslissing over het uitstel niet op de Eurotop in juni te nemen, zoals eerder bedoeld, maar pas op de Eurotop in december, vlak voor de beoogde toetreding van Roemenië en Bulgarije. Zo kan nog een halfjaar langer de druk op de ketel van hervormingen worden gehouden.