Doen alsof

Ga in een schouwburgzaal zitten. Trek als het stuk begint de mondhoeken iets naar beneden. En zie: het gespeelde blijkt waardeloos te zijn. Kijk iemand aan die je niet kent, en glimlach. Meestal glimlacht de ander dan ook. Een aardige vrouw!

Doen alsof maakt veel verschil. Enkele jaren geleden verscheen een serie kinderboeken over 'De Mennyms' van de Engelse schrijfster Sylvia Waugh. De Mennyms waren lappen poppen die leefden, dat wil zeggen: ze konden praten en denken, maar verder bleven ze van stof. Om een zinvol leven te leiden, deden de Mennyms alsof. Ze deden alsof ze thee dronken en alsof ze daar een koekje bij aten. Ze spitten de tuin en deden dan alsof ze last van hun rug kregen. Ze deden of ze, als een gesprek moeilijk werd, een glas whisky inschonken. Ze deden alsof ze bij elkaar op visite kwamen, geen trek hadden, een flinke afwas te doen hadden. Ze deden, kortom, alsof ze een lichaam hadden en een mensenleven leefden, ze acteerden de sociale interactie. Wie het las kon al snel moeilijk anders denken dan dat het sociale leven inderdaad een spel ís. Doen alsof je het leuk hebt - dan is het ook leuk. Doen alsof je moe bent - dan ben je ook moe.

Natuurlijk zijn niet al onze sensaties 'alsof'. We zijn daar trouwens ook op tegen, het moet allemaal echt zijn. Echte opwinding, echte vreugde - en voor een deel vallen die gevoelens ons inderdaad geheel vanzelf toe. Maar wie op reis is gegaan om eens wat mee te maken, vraagt zich weleens af hoe het eigenlijk zit met gevoelens. Of het niet een beetje te lui, te gemakkelijk is om altijd maar te willen dat ze helemaal vanzelf komen en echt zijn.

Ik had alle reden daarover na te denken aangezien ik dit schrijf vanaf een schip waarop ik ook vorig jaar voer: de ms. Trollfjord, één van de schepen van de Hurtigruten, de sneldienst die Bergen in het zuiden van Noorwegen verbindt met Kirkenes in het noordoostelijkste puntje. Vorig jaar was alles nieuw en opwindend. Dit jaar viel het gemakkelijk te denken: heb ik allemaal al gezien. Pas geleden nog.

Dat is natuurlijk maar heel beperkt waar. Of eigenlijk: als je dat denkt, kijk je niet goed. De dienster die in het restaurant bediende, stopte op een middag aan de tafel waar ik volijverig naar buiten zat te staren, half onder de indruk van wat ik zag, half bezig met de bestrijding van het gevoel dat ik niks nieuws zag, en zei dromerig: 'Het is elke keer weer anders.' Toen schaamde ik me.

Het was duidelijk moderne luiheid. Iets willen meemaken zonder er moeite voor te doen. Steeds iets nieuws willen, want dat bezorgt vanzelf een sensatie. Alsof het echte uit sensaties bestaat.

Natuurlijk had de dienster een voorsprong. Wie weinig kennis heeft, ziet nu eenmaal minder. Voor een ongeoefende beschouwer van de Noorse winterse bergen, zijn die bergen Noorse winterse bergen en anders niet. Maar thuis kost het geen enkele moeite te beweren dat het uitzicht steeds anders is. Iemand die na één keer in Amsterdam geweest te zijn beweert dat hij de grachten wel gezien heeft, is een schertsfiguur: de grachten zijn altijd anders. Altijd mooi, altijd iets om je ogen uit te kijken. Dat geldt voor ieders omgeving: onveranderlijkheid bestaat niet. Sterker nog: het waardevolle kan alleen gevonden worden door hardnekkig naar steeds hetzelfde te blijven kijken. Zoals een meeuw op almaar hetzelfde plekje gras rondtrappelt, net zo lang tot een worm uit de grond komt.

En ik hield mezelf nog maar weer eens dat gedicht van Kavafis voor, dat ik niet meegenomen heb, maar dat ongeveer zo luidt: 'Denk niet dat het zin heeft naar een andere stad te gaan. Er is voor jou geen andere stad, geen andere zee. Zoals je je leven hier hebt verknoeid, in deze uithoek, zo heb je het overal ter wereld onmogelijk gemaakt.'

Daar zegt Kavafis in feite hetzelfde: niet de wereld is het probleem, je bent het zelf.

Vorige week was er noorderlicht te zien. Stonden we daar aan dek in de kou met het hoofd in de nek. Er waren mensen bij voor wie het de eerste keer was en ik voelde hun teleurstelling die vermoedelijk de mijne was. Het was niet groen en rood maar wit. Het bewoog niet. Het was niet erg helder. Het leek nog het meest op fabrieksrook die per ongeluk oplichtte.

Toch gewoon blijven kijken. Doen alsof je iets heel bijzonders ziet. En ja, langzaam aan veranderden de nevelen in stralen. Er ontstond een lange reuzen serpentine over de hele hemel. Er schitterden plukjes licht als vaantjes boven de bergen. Eén van de serpentines begon zich te kronkelen en te wentelen. Ik hoorde mezelf: oh! roepen.

Dat kwam door het doen alsof.

Waarschijnlijk is dat te eenvoudig gezegd. Meister Eckhart zegt: 'Laat je zelf los.' Nooit goed begrepen hoe dan. Maar misschien is het alleen maar dit: ervan uitgaan dat het noorderlicht iets bijzonders ís, en niet geïnteresseerd zijn in de vraag of je dat nu meteen ziet en dat ook werkelijk vindt. Dan gaat het over jezelf. Maar het moet om het noorderlicht gaan. Welke vorm het dan ook aanneemt.

Vandaag stond ik op het dek. Het vroor een graad of zes, het licht was van zilver, onder het schip brak het ijs van het Trollfjord, vlak naast ons rezen de witbepoederde bergen verbluffend hoog op. 'Sensationeel!' zei de cruise director. 'Het is overweldigend', zei ik. Ik deed alsof ik een luchtsprongetje maakte. Ik was in de zevende hemel.