Uitbestede schatten

VOC-schepen worden door buitenlanders geborgen en niet volgens de regels der kunst opgegraven. Theo Toebosch

Een kist met 18 baren goud, geborgen uit het in 1724 vergane VOC-schip Slot ter Hooghe. Al in de 18e eeuw huurde het VOC-bestuur duikers om edelmetaal uit scheepswrakken te bergen. foto rijksmuseum amsterdam Een kist met 18 baren goud, geborgen uit het in 1724 vergane VOC-schip Slot ter Hooghe. Al in de 18e eeuw huurde het VOC-bestuur duikers om edelmetaal uit scheepswrakken te bergen. foto rijksmuseum amsterdam Rijksmusem Amsterdam

Hoe is het gesteld met de Nederlandse scheeps- en onderwater archeologie? Hadden Nederlandse archeologen niet zelf het VOC-schip de Rooswijk en zijn lading kunnen opgraven?

Die vragen komen naar boven als je Rex Cowan, de 79-jarige leider van de recente commerciële berging van het in 1740 voor de Britse kust gezonken schip en de zilverstaven, hoort.

Thuis in Londen moet hij steeds lezen dat hij een schatjager is. Als ik rijk had willen worden, was ik wel advocaat gebleven', meldt hij per e-mail. De ophef vindt hij misplaatst. Fel: Wie anders vindt die VOC-schepen? Kan Nederland binnen een maand een groot onderzoeksschip klaar hebben, compleet met moderne apparatuur, onderzoekers en onderwaterarcheologen? Is Nederland bereid om alleen al in een eerste duikseizoen 400.000 euro te investeren? Als dat zo is, praten we verder. De voorwerpen die ik uit de Hollandia heb gehaald, vullen de VOC-afdeling van het Rijksmuseum. Het MuZEEum in Vlissingen staat vol met voorwerpen uit 't Vliegent Hart - zonder dat het de belastingbetaler een cent kost. Wat is er van de Amsterdam in musea te zien? Hoe is Nederland met dat schip omgegaan?'

De Amsterdam ligt nog in het zand voor de kust van het Britse Hastings, moet VOC-expert en onderwaterarcheoloog Jerzy Gawronski toegeven. Gawronski is tegenwoordig gemeentelijk archeoloog van Amsterdam.

expertise

Gawronski vindt dat met improvisatie en mobilisatie van nog aanwezige expertise Nederlandse archeologen zelf onderzoek bij de Rooswijk kunnen doen. Maar hij stelt ook vast dat hier structureel archeologisch onderzoek naar VOC-schepen niet meer bestaat. En dat terwijl ieder VOC-schip nog steeds een schat aan wetenschappelijke informatie kan opleveren. Tot nu toe zijn wereldwijd ongeveer vijftig VOC-schepen gevonden. De meeste zijn door bergers leeg gehaald. Slechts een handvol is in enige mate door archeologen opgegraven en onderzocht.'

De opgraving van de Amsterdam laat het failliet van de Nederlandse onderwaterarcheologie zien. Gawronski begon met conservator Bas Kist van het Rijksmuseum eind jaren tachtig een opgraving van wat als een van de interessantste VOC-schepen geldt. Het project diende ook als een soort veldschool voor Nederlandse archeologen en duikende amateurarcheologen, omdat in Nederland nog geen officiële onderwaterarcheologie bestond.

Het ministerie van WVC draaide echter na drie jaar de subsidiekraan dicht - bang dat de Amsterdam een oneindig geldverslindend project zou worden. Gawronski: Het door ons opgebouwde platform van archeologen, historici en duikers is weg. In opleiding is ook niet geïnvesteerd. In Groot-Brittannië zijn vier universitaire opleidingen onderwaterarcheologie, hier niet één.'

Voor Wendy van Duivenvoorde was dat vijf jaar geleden de reden om na een studie archeologie in Amsterdam naar Texas A&M University te gaan. In Nederland had je de laatste jaren alleen een bijvak aan de Universiteit Leiden', vertelt ze over de telefoon. Van Duivenvoorde doet promotie-onderzoek naar de scheepsbouwtechniek van de bij Australië vergane Batavia. Het schip is tussen 1972 en 1976 door Australische archeologen opgegraven.

centre of excellence

De Nederlandse overheid heeft niet helemaal stil gezeten als het om scheeps- en onderwaterarcheologie gaat. In 1999 ging in Lelystad het Nederlands Instituut voor scheeps- en onderwaterarcheologie (NISA) open. Als onderdeel van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek had het moeten uitgroeien tot een centre of excellence. Maar daar is niet veel van terechtgekomen. Van Duivenvoorde: Enkele van mijn docenten zijn de afgelopen jaren gevraagd om er te komen werken, maar ze hebben allemaal geweigerd, omdat het slecht voor hun carrière zou zijn.'

Eén van hen was Fred Hocker, nu hoofd onderzoek van het Wasa Museum in Stockholm. Ik ken het NISA goed. Aan de kwaliteit van de mensen ligt het niet. Ook niet aan de faciliteiten - zoals in Lelystad vind je ze nergens anders. Het ligt aan de voortdurende reorganisaties en bezuinigingen. Bij mijn sollicitatie als hoofd van het NISA begreep ik dat het mijn taak zou worden om het instituut te ontmantelen.'

Hoe reageren Medy van der Laan en Maria van der Hoeven op alle kritiek? Alleen Van der Laan antwoordt. Uiteraard' vindt ze de Nederlandse scheeps- en onderwaterarcheologie van belang'. Ze wijst op de nieuwe Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten: Een kennisinstituut met een afdeling maritiem erfgoed.' Maar over de ontwikkelingen bij het NISA geen woord. Wel over onderzoek en opleiding: Dat kan evenzogoed in andere Europese landen. Juist op dit terrein ligt een Europese maar ook internationale oriëntatie voor de hand.'