Sport, rode bloedcellen en het gebruik van doping

Prof. Harm Kuipers heeft wellicht gelijk als hij stelt (NRC Handelsblad, 18 februari) dat genetische doping bij sporters te detecteren is als een plotselinge verstoring van het normale genetische patroon en dat het regelmatig, over jaren gemeten hemoglobinegehalte van het bloed hiertoe een goede mogelijkheid biedt. Waar het hemoglobinegehalte van (lineair) belang is voor de maximale hoeveelheid te binden zuurstof, wordt soms vergeten dat de hematocrietwaarde (celgrootte en aantal cellen), een exponentiële rol speelt bij de viscositeit (stroperigheid) van het bloed, dus het vermogen (of de weerstand) van bloed om te stromen.

Een complicerende eigenschap is dan nog dat deze bloedviscositeit ook weer exponentieel wordt bepaald door de snelheid (shear rate) waarmee het bloed door de vaten stroomt. In dit geval een viscositeitverhoging bij een lagere stroomsnelheid. Gebruik van epo kan leiden tot een zeer gevaarlijke, levensbedreigende, situatie als het bloed langzamer gaat stromen, bijv. direct na de finish. Bovenop het sterke effect van de door epo-gebruik verhoogde hematocriet én de lagere stroomsnelheid op de viscositeit van het bloed komt ook nog eens het uitdrogende effect (hemoconcentratie) als gevolg van het transpireren. Hoewel er toen geen directe bewijzen konden worden geleverd, is het vrijwel zeker dat een aantal gevallen van sudden death na afloop van wielerwedstrijden in het verleden door een plotseling optredende sterke toename van de bloedviscositeit zijn veroorzaakt.

Het voordeel van de hematocrietbepaling is dat deze bloedwaarde tot kort voor de wedstrijd kan worden gemeten met een kleine, gemakkelijk te transporten, speciale centrifuge. Deze benadering om misbruik van doping tijdens sportwedstrijden tegen te gaan, is daarom preventief en kan leiden tot het opleggen van een startverbod juist op basis van een te hoge hematocrietwaarde, bijv. boven 50 procent.

Onder deze omstandigheden lijkt de door Kuipers aangehaalde zwelling van de cellen als mogelijke manipulatie zeer onwaarschijnlijk. Het grote voordeel is ook dat dit startverbod kan worden opgelegd op grond van bescherming van de sporter zelf.

De eventuele zware beschuldiging van epo-doping kan dan uitblijven totdat nader uitgebreid laboratoriumonderzoek, waaronder dan natuurlijk ook de hemoglobinewaarde, uitsluitsel heeft gegeven. Het blijft natuurlijk een treurige zaak dat er zoiets als sport (gen)doping bestaat, waardoor er een compleet controlesysteem moet worden opgezet en de sporters gedurende hun hele carrière hieraan moeten worden onderworpen. Je zou deze misstand willen uitroeien door een eerlijke handicapformule te bedenken, bijv. gerelateerd aan gemeten bloedwaarden als hemoglobinegehalte, hematocriet of een combinatie daarvan. Als je tevoren zou weten dat je, voor een eerlijke competitie bij het schaatsen over 1500 meter met je opgekrikte hematocriet van zeg 48 procent 0,3 sec. sneller moet zijn dan je tegenstander met een hematocriet van 45 procent, zou de lol er gauw vanaf zijn. Natuurlijk is dit een slecht voorbeeld, want volgens Kuipers gebruiken schaatsers geen doping.