Schimmel op de literatuurlijst

Geld bestaat niet, het wordt gemaakt. Het papier of het metalen schijfje dat we gebruiken heeft van zichzelf geen enkele waarde. Gebruik ervan veronderstelt een afspraak over de symboolwaarde. Het functioneren hangt af van het gebied waarin het geld gebruikt wordt.

In Nederland heeft men een wat problematische verhouding met geld. Men wil het graag hebben en houden, maar men pronkt er niet mee. Niet zoals in Italië laten zien dat je het breed kunt laten hangen, je vrouw in bontjas en juwelen steken, je minnares de duurste lingerie geven, je zoon een Ferrati en jezelf maatschoenen, maar een degelijke auto, een beschaafd gezinshuis, en een vrouw die zichzelf als hoogste luxe een potje Nivea antirimpelcreme toestaat. Men vecht ervoor om niet in de Quote te komen. Liever een potje geld op de bank ongebruikt en nutteloos laten staan, dan laten zien dat je geld hebt en het uitgeven aan nutteloze maar buitengewoon plezierige dingen. Naar buiten toe zich voordoen als een huismoeder die moet rekenen om alles sluitend te krijgen. Indertijd is het Lubbers gelukt om in Brussel de parlementariërs voor te rekenen dat bepaalde streken in Nederland tot de ontwikkelingsgebieden behoren. Achter gesloten gordijnen weet men wel beter.

Op dezelfde manier bestaan klassieke literaire werken niet, maar worden ze gemaakt.

Het hoopje bedrukt papier dat wij in handen hebben als we Max Havelaar lezen, heeft geen enkele waarde, nog geen halve cent als oud papier. Het lezen ervan veronderstelt afspraken over de symboolwaarde. Het functioneren daarvan hangt af van de cultuur waarin zo'n boek gebruikt wordt.

Om het simpel te zeggen: als de leraar op school niet zou zeggen dat Max Havelaar gelezen moet worden door iedereen die met een havo-diploma de straat op gaat, zou Max Havelaar geen klassieker zijn. Als de Deltareeks geen geld kreeg voor de druk van klassieke teksten, zou niemand ooit meer een stuk van Vondel kunnen lezen.

Wie even doordenkt, merkt op dat vele verschijnselen uit de werkelijkheid gemaakt worden uit het niets, maar dat ze daarom nog niet minder bestaan. Je kunt dit gegeven ook omkeren: het feit dat klassieken gemaakt worden, bewijst juist dat ze bestaan. Het feit dat de natie de Oranjes gecreëerd heeft, bewijst hun bestaan.

Wat mij zorgen baart, is dat er te weinig Nederlandse klassieken gemaakt worden en vooral dat ze niet gekoesterd worden. Men koestert ze niet, maar laat ze zoals onnut geld op de bank staan zonder dat men erover nadenkt wat men er allemaal voor aardigs mee kan doen. De magazijnen van de bibliotheken zijn de spaarbanken van de Nederlandse literatuur. In de portemonnee zit het kleingeld: Arnon Grünberg, Jan Siebelink, Hafid Bouazza. Dat is mooi voor de snelle roulatie. Maar aan kapitaal dat opgeborgen is heeft men niets. Het moet eruit.

Er bestaat onder literatuurkenners een stilzwijgende overeenkomst over wat er van waarde is in de Nederlandse literatuur. Multatuli is klasse, de negentiende-eeuwse schrijver van historische romans H.J. Schimmel is terecht vergeten. Willem Elsschot is prachtig, Theo Thijssen is maar zo zo. Of niet soms? Wie geeft aan welke teksten literair zijn en waar zijn de overwegingen op gebaseerd? Is het nodig dat er onderscheid gemaakt wordt tussen literatuur die in het collectieve geheugen van de Nederlander hoort te zitten, en tussen minder gewichtige teksten die alleen voor Neerlandici enige studiewaarde hebben? Is vergetelheid noodzakelijk voor het verleden? Hoe belangrijk is dementie voor literair-historici?

Van wat er in het heden weggegooid wordt, hangt de status van het werk in de toekomst af. Werken uit het verleden hebben geen toekomst als ze in hun eigen heden niet als prinsjes zijn binnengehaald. De stelling is niet omkeerbaar: wat toegejuicht is toen het binnenkwam, is niet verzekerd van een goede toekomst als literaire klassieker. Wat bepaalt nu wat er na tien jaar of langer blijft hangen van de gigantische literatuurproductie van een bepaalde periode?

Of een schrijver de tand des tijds overleeft, heeft voor een deel met zijn eigen activiteit als schrijver te maken. Iemand die zich positioneert als gedreven schrijverspersoonlijkheid en een oeuvre opbouwt, heeft meer kans dan iemand die één boekje geschreven heeft, hoe voortreffelijk ook. Ik kan hier het voorbeeld van Hedda Martens geven. Ze treedt nauwelijks op en toont haar schrijverspersoonlijkheid niet graag. Ruim twintig jaar geleden debuteerde ze, met een formidabele verhalenbundel. Pas tien jaar later volgde er een nieuwe bundel, en in 2005 nog een. De laatste bundel, Iemandsland, staat op de Libris Longlist voor 2006, maar wie googelt vindt nauwelijks informatie over haar. Bescheidenheid geldt niet als een sieraad voor een auteur. Zo zijn er meer voorbeelden. Wie kent de boosaardige zwarte verhalen van de 19de-eeuwse tekenaar Alexander Verhuell? Hij gaf drie bundeltjes sublieme novellen uit, Schetsen met de pen. Ofschoon ze in Nederland uniek zijn als voorbeelden van proza in het genre van Edgar Allen Poe of E.Th.A. Hoffmann, kent vrijwel niemand ze.

Er natuurlijk uitzonderingen. Iedereen kent de naam van Jaques Perk, en toch heeft hijzelf bij zijn leven geen enkele bundel uitgegeven. Pas na zijn dood heeft de door Willem Kloos samengestelde gedichtenbundel hem eeuwige faam bezorgd.

Van groot belang bij de status van een auteur is de uitgever. Wanneer een uitgever besluit dat een auteur Verzameld werk mag krijgen, is er een status van klassiek bereikt, die de eerste tijd niet kapot te krijgen valt. Toen De Bezige Bij reeds een jaar na de dood van Hans Faverey een mooie volledigwerkuitgave uitgaf, deed zij een gouden greep. Er waren vrijwel direct herdrukken nodig, nadat de recensenten uitvoerig de hele Faverey beoordeeld hadden, daardoor geholpen door de verzameling van al zijn werk.

Van nog groter belang voor klassiekenvorming is de academische wereld. Wanneer de literair-historici zich meester maken van een titel uit het recent verleden, is de toekomst gekocht. Ook hier bestaan uitzonderingen op: er is aan de universiteiten meer over Vestdijk geschreven dan over Bertus Aafjes, en toch zijn beiden verdwenen uit de canon.

Of met deze selectie nu werkelijk de beste werken de meeste kans hebben in de canon terecht te komen, wil ik niet beweren - en evenmin dat men zo makkelijk 'beste werken' kan aanwijzen. Daarom is het ook goed dat de canon in beweging is: wat eens erin stond, kan eruit, en er kunnen nieuwe teksten in.

Maar moet een literair werk wel blij zijn met de canonstatus? Het komt maar al te vaak voor dat de status van klassieker de betreffende tekst de doodsteek geeft. De klassiekers worden niet gelezen, ze worden niet uitgegeven, ze worden niet geciteerd, ze leven niet in het geheugen van de lezers in Nederland. De enkeling die wel eens een literair citaat in de mond neemt, wordt niet begrepen. Als er iets nationaals is in verband met de klassieken, is dat een collectieve schaamte over wat er is. Geen docent aan de universiteit durft een literatuurlijst voor te schrijven met alle titels die hij klassiek vindt. In de scholengemeenschap zal geen leraar zonder cynisme de Gysbrecht van Aemstel durven behandelen.

Ondertussen probeer ik mijn studenten Gorters Verzen van 1890 te laten lezen en Cremers Fabriekskinderen, maar dat is fysiek onmogelijk: uitverkocht sinds jaren, niet te lenen in bibliotheken. Niet te koop, niet te leen, niet te lezen. Alleen digitaal, maar wie wil er nu Verzen digitaal lezen?

Is het erg als studenten Nederlands de canon niet kennen? Ja, heel eenvoudig, ja. Ik ga niet uitleggen dat ook zij de schatbewaarders van het verleden zijn, dat zonder hen de Nederlandse klassieken geen overlevingskans hebben, dat ze een verantwoording hebben voor het erfgoed. Ik stel het botweg: studenten Nederlands moeten de canon kennen, en moeten in staat zijn daaraan te morrelen als ze die eenmaal beheersen. Veel literatuur mag en kan vergeten worden, maar een harde kern uit het verleden moet overblijven. De canon, dat is het kapitaal van alle Nederlanders en de neerlandici, toekomstige of bestaande, dat zijn de banken die dit kapitaal beheren. Ik hou niet van voorzichtige banken die de boel in een kluis laten beschimmelen. Brutale, ondernemende, zelfbewuste risiconemers, daaraan geef ik mijn kapitaal liever.

    • Marita Mathijsen