Musea verzekeren kunst te hoog

Musea jagen elkaar op kosten door te hoge verzekeringen te eisen voor hun bruiklenen. De marktwaarde zou de norm niet moeten zijn.

De verzekeringskosten van grote tentoonstellingen van topstukken zoals nu in het Rembrandtjaar worden vier keer hoger dan nodig doordat musea werken die zij uitlenen voor onrealistisch hoge bedragen laten verzekeren. De musea rennen te veel achter de marktprijzen aan.

Dat zegt Cees Kortleve, voorzitter van Artscope, de in kunst gespecialiseerde afdeling van verzekeringsmakelaar Aon. 'Bruikleengevers hebben de neiging de snel gestegen marktprijzen aan te houden bij het bepalen van de waarde van hun bezit, maar als het gaat om erfgoed dat tóch nooit op de markt zal komen, is dat niet realistisch', zegt Kortleve. 'De werken zijn in hun eigen museum immers ook niet verzekerd. Ze zouden genoegen moeten nemen met dekking van eventuele schade.'

Aon Artscope sluit zelf geen verzekeringen af, maar treedt op als makelaar tussen bruikleengevers en kunstinstellingen, meestal musea. Het heeft kantoren in tien Europese landen. In Nederland werken er negen mensen.

Voor de Rembrandt-Caravaggio tentoonstelling die vorige week in het Van Gogh Museum opende, heeft Aon Artscope zelf zestien bruikleengevers benaderd met de vraag of ze niet toch genoegen wilden nemen met de bestaande polis van de ontvangende musea. 'Van die zestien waren er dertien - onder andere het Louvre, het Prado en de Uffizi - na overleg bereid hun eisen te verlagen', aldus Kortleve. 'Dat is een belangrijke besparing op de verzekeringskosten.'

Wat is het belang van Aon Artscope bij het verlagen van de te verzekeren bedragen?

Kortleve: 'Deze service zit besloten in onze rol als makelaar. Die bestaat naar onze mening ook uit het adviseren van de cliënt, zelfs als dat ertoe zou leiden dat een verzekering een 'overbodige luxe' wordt. In de praktijk blijkt dat wij dankzij onze inspanningen om de kosten van tentoonstellingen te verlagen, als een goede partner worden gezien. Daardoor worden we bij veel tentoonstellingen betrokken.'

De hoge verzekeringseisen zijn niet noodzakelijk door wantrouwen ingegeven, zegt Kortleve, maar kunnen puur administratieve oorzaken hebben. 'De zakelijk directeur van het Museum of Modern Art in New York zei mij eens dat zijn museum tachtig tot honderd verzoeken per jaar om bruiklenen krijgt, en dat hij noch de tijd noch de expertise had om de polissen van alle aanvragers door te nemen. Dus stelt het MoMa maar zijn eigen, hoge eisen, sluit zelf een verzekering af en weet in ieder geval dat alles gedekt is. Maar voor bruikleennemers zijn de kosten daardoor véél hoger, tot het viervoudige toe, en is het slikken of stikken.'

Sinds '9/11' is het verzekeren van kunst tegen terrorisme een nieuwe oorzaak van prijsstijgingen. Kortleve: 'Voor die tijd was kunst zowel tijdens het transport als tijdens de tentoonstelling verzekerd tegen terroristische aanslagen. Maar sinds 9/11 willen verzekeraars alleen het vervoer voor hun rekening nemen. De premies voor het verzekeren van een bruikleen tijdens een tentoonstelling zijn ongelooflijk hoog. Er is zelfs geen Nederlandse verzekeraar die dat doet, dan kom je meestal terecht bij Lloyd's in Londen.'

Die eis kan ook voortvloeien uit lokale gewoontes. In Frankrijk bijvoorbeeld zijn verzekeraars wettelijk verplicht het terrorisme-risico zowel tijdens transport als tijdens de tentoonstelling in de polis op te nemen. 'Franse musea verlangen dezelfde dekking in landen waar dat niet gebruikelijk is. Dat jaagt de bruikleennemer op hoge kosten.'

De kunstwereld ziet wel degelijk redenen om de marktprijzen te volgen, ook voor kunst in staatseigendom. 'Wij zijn als beheerders van de rijkscollecties aansprakelijk bij grote schade', zegt Rik van Koetsveld, zakelijk directeur van het Mauritshuis. 'Het zou alleen mogelijk zijn de marktprijzen te negeren als het rijk van die aansprakelijkheid afziet. Bovendien moeten wij in staat zijn om als een werk total loss raakt, een vergelijkbaar werk te kopen - en dan worden wij natuurlijk wel met de marktprijzen geconfronteerd.'

Er zijn nog andere mogelijkheden om te kosten te drukken, zegt Van Koetsveld, bijvoorbeeld non-insurance. 'Daarbij spreken rijksmusea onderling af dat de bruikleennemer voor eventuele schade aansprakelijk is, maar dat we afzien van een verzekering tegen waardeverlies of total loss. Sinds een jaar of zes kent Nederland hiervoor de zogenaamde Kaderregeling tussen rijksmusea en grote gemeenten, maar zoiets bestaat in Europees verband nog niet. Dit zou wel de 'collectiemobiliteit' bevorderen, de frequentie waarmee kunstwerken op verschillende plekken te zien zijn.'

Sinds het grote Van Gogh retrospectief in 1990 heeft Nederland net als Groot-Brittannië en de Verenigde Staten een indemniteitsregeling, waarbij de overheid zich garant stelt voor (een deel van) eventuele schade. Normaliter is het fonds daarvoor 200 miljoen euro groot, in het Rembrandtjaar is dat tijdelijk verhoogd tot 500 miljoen euro.

Zowel de indemniteitsregeling als non-insurance behoren tot de aanbevelingen van een internationale commissie onder leiding van directeur van het Rijksmuseum Ronald de Leeuw.

Musea moeten onderling genoegen nemen met 40 procent van de marktwaarde, aldus het rapport Lending to Europe uit april vorig jaar, en de Europese Unie moet ervoor zorgen dat alle lidstaten elkaars indemniteitsregelingen erkennen.