Een zak rijst als beloning

In Afrika stuit de ontwikkelingshulp op steeds meer wantrouwen en ook wordt die hulp op grote schaal misbruikt. De westerse hulpverleners lijken het ernaar te hebben gemaakt.

Op reis door Tsjaad, Niger en Mali, drie Afrikaanse landen die tot de armste ter wereld behoren.

Internetcafé in Djenné, Mali, gebouwd door US Aid Aa, Gerbert van der

Het is gelukt, eindelijk heeft Assane Abdramane zijn geld. 'Ongeveer een jaar geleden leerde ik hier in het hotel een Nederlander kennen', zegt Abdramane, die als tuinman werkt in het Novotel in de Tsjadische hoofdstad Ndjamena. 'Hij was heel aardig. Toen die man terug was in Nederland schreef ik een brief waarin ik om hulp vroeg. Ik had geld nodig voor een cursus. Na zes maanden wachten ontving ik gisteren 80.000 CFA [130 euro]. Maandag begin ik mijn opleiding tot automonteur.'

Abdramane staat te glunderen in zijn blauwe overall. Het was niet makkelijk om het geld los te krijgen, zegt hij. 'Het is belangrijk dat je het op de juiste manier aanpakt. Als je op een blanke afstapt en meteen om een gunst vraagt, wordt het nooit wat. Eerst moet je vertrouwen winnen, door een gesprek aan te knopen waarin je niet hebberig overkomt. Pas later vraag je dan om geld.'

Op de tennisbaan van het hotel slaan twee blanke mannen een balletje. Europeanen zijn socialer dan Afrikanen, beweert Abdramane. 'Ze doen van alles om de armen in de wereld te helpen, maar rijke Tsjadiërs denken alleen aan zichzelf en hun familie. Als je geen vermogende familie hebt, ben je bijna per definitie veroordeeld tot een leven als armoedzaaier. Mijn enige hoop zijn buitenlandse ontwikkelingswerkers.'

Blanke ontwikkelingswerkers zijn in bijna alle Afrikaanse landen een bekend verschijnsel. Leraren, landbouwdeskundigen, artsen; massaal zijn ze de afgelopen decennia naar Afrika getrokken om te helpen. In landen als Tsjaad, Mali en Niger, die volgens de statistieken van de Verenigde Naties tot de armste landen ter wereld behoren, zie je overal reclameborden waarop westerse hulporganisaties zichzelf aanprijzen.

'Je moet westerse ontwikkelingswerkers vertellen wat ze graag willen horen', weet Naortanger Ngaradoum, coördinator van de niet-gouvernementele organisatie Darna uit Tsjaad. 'Anders kun je je geld wel vergeten.' Ngaradoum vertelt dat donoren de laatste jaren vooral projecten steunen die gericht zijn op vrouwen, mensenrechten of milieu. 'Dus dien ik voorstellen in voor dat soort projecten. Vroeger waren waterputten erg in trek bij donoren, maar daar hoef je nu niet meer mee aan te komen.'

In zijn kantoor in een arme buitenwijk van Ndjamena vertelt Ngaradoum dat Darna onder meer steun ontvangt van Oxfam, waar het Nederlandse Novib deel van uitmaakt. Meer geld is welkom. 'Iedere buitenlandse organisatie die in Tsjaad de armoede wil bestrijden, ontvang ik met open armen', zegt de coördinator, terwijl hij drie A4'tjes print waarop de doelstellingen van Darna staan. 'We hebben genoeg ideeën voor nieuwe projecten.'

De printer is klaar. De benzinegenerator, die met veel lawaai stroom opwekt, kan worden afgezet. Om geld te besparen, want Darna heeft financiële problemen. 'Het is moeilijk om nieuwe donoren te vinden', zegt Ngaradoum. 'Dat komt doordat we twee jaar geleden een klein financieel schandaal hadden. De vorige coördinator bleek nogal wat geld in zijn eigen zak te hebben gestoken.' De man is inmiddels ontslagen, maar het schandaal blijft Darna achtervolgen. 'Buitenlandse ontwikkelingswerkers lijken ons niet meer te vertrouwen.'

Financiële schandalen zijn talrijk in de ontwikkelingshulpindustrie. Westerse hulporganisaties controleren vaak niet goed of hun geld wel op de juiste plaats terecht komt. Onafhankelijke financiële reportages door accountants zijn een zeldzaamheid, waardoor het de ontvangende organisaties in ontwikkelingslanden wel heel gemakkelijk wordt gemaakt om te frauderen.

Veel Afrikanen zijn zich bewust van de lakse houding van westerse hulpverleners. Nogal wat Tsjadiërs zien een ontwikkelingswerker dan ook vooral als iemand die je met een zielig verhaal geld uit de zak kunt kloppen, een soort Sinterklaas die overal cadeaus uitdeelt. Daardoor trekt de sector relatief veel Afrikanen die er op uit zijn zichzelf te verrijken.

Gladde types

'Tsjadiërs die voor ontwikkelingshulporganisaties werken zijn opvallend vaak gladde types met een vlotte babbel', zegt Djonwe Kalbalé, eigenaar van een garagebedrijf dat vlakbij het kantoor van Darna is gevestigd. 'Ik vertrouw die jongens voor geen cent. Ze hebben mooie verhalen over armoedebestrijding en de ontwikkeling van het land. Maar uiteindelijk zijn ze alleen maar bezig met de vraag hoe ze er zelf beter van kunnen worden.'

Kalbalé leunt op een stok, hij is kreupel omdat hij op jonge leeftijd polio had. Hij vindt dat ontwikkelingswerkers te goedgelovig zijn. 'Een auto is meestal het eerste waar Tsjadiërs om vragen. Het liefst een terreinwagen van het nieuwste model. Maar vaak hebben ze zo'n dure auto helemaal niet nodig. In Tsjaad rijden ook bussen, een auto huren is ook betaalbaar.' Volgens Kalbalé dienen auto's van hulporganisaties vooral voor privégebruik: 'Bijvoorbeeld om indruk te maken op meisjes in de disco.'

Kalbalé: 'Ik vind het fantastisch dat buitenlanders hierheen komen om te helpen. Maar dan moeten ze eerst onderzoeken waar Afrika behoefte aan heeft. Hoeveel kinderen kun je met geld dat nu aan auto's wordt uitgegeven wel niet vaccineren tegen polio of mazelen? Daar hebben we tenminste wat aan.'

In het stadje Tanout, 1200 kilometer naar het westen in het buurland Niger, is de gierst net geoogst. Op de akkers liggen alleen nog wat dorre stengels. Hoewel de opbrengst dit jaar hoger is dan gemiddeld, waarschuwen hulporganisaties voor hongersnood. Ze vrezen een herhaling van afgelopen zomer, toen volgens het Wereldvoedselprogramma (WFP) van de Verenigde Naties 3,5 miljoen mensen in Niger afhankelijk waren van voedselhulp. Organisaties als het Rode Kruis en Artsen zonder Grenzen zijn nu druk bezig met de voorbereidingen voor nieuwe hulpacties. Westerse journalisten worden ingevlogen om beelden van hongerende kinderen de wereld in te sturen, zodat mensen in Europa en Amerika geld storten.

Maurice Mamanlawal Salé, een Nigerees die als landbouwdeskundige werkt bij de particuliere organisatie Eden, beziet de verhalen over hongersnood met toenemende woede. 'Er was afgelopen zomer helemaal geen hongersnood', beweert hij. 'En ook dit jaar verwacht ik geen crisis. Natuurlijk hebben veel mensen in Niger moeite rond te komen, zoals in bijna elk Afrikaans land, maar dat de bevolking massaal dreigt te sterven van honger is gewoon niet waar.' De afgelopen maanden hebben diverse gerenommeerde deskundigen, zowel in Niger als daarbuiten, zich in soortgelijke bewoordingen uitgelaten.

Salé geeft een rondleiding over een agrarisch proefstation bij Tanout. Over ontwikkelingswerkers heeft hij weinig goeds te melden. 'De meeste westerse hulpverleners die ik het afgelopen jaar tijdens die zogenaamde hongersnood tegenkwam zijn oplichters', zegt hij. 'Organisaties als Artsen zonder Grenzen overdrijven de ernst van de situatie. Ze sturen fotografen af op zieke kinderen en beweren dan dat die kinderen slachtoffer zijn van hongersnood. Zo wordt het westerse publiek voorgelogen.'

Volgens Salé vernietigt de voedselhulp de zelfredzaamheid: 'Van oudsher is in Niger aan het eind van de droge tijd gebrek aan gierst, wat hier het basisvoedsel is. Traditioneel wordt dat opgevangen door wilde planten te eten, die doorgaans volop voorradig zijn. Helaas verdwijnt door de voedselhulp de kennis over die planten. Je hand ophouden is immers makkelijker. Zo wordt een land als Niger afhankelijk gemaakt.'

Het grootste deel van de bevolking in Niger is blij met de voedselhulp. Wie wil er nu niet een gratis zak rijst? Het afgelopen jaar zijn honderdduizenden kilo's voedsel cadeau gedaan, vooral in het zuiden van het land. Nigeresen die zelf genoeg te eten hebben, verkochten hun rijst op de markt en schaften met de opbrengst nieuwe kleren of een brommer aan. En handelaren die het geschonken voedsel voor een schappelijke prijs opkochten, exporteren het massaal naar het buurland Nigeria. Ook hebben lokale handelaren tijdelijk voedsel opgeslagen, om het te verkopen als de prijzen aan het einde van het droge seizoen weer stijgen. Lokale boeren zijn daarvan de dupe. Zij klagen dat ze meer moeite hebben hun nieuw geoogste gierst voor een goede prijs te verkopen dan in voorgaande jaren.

Dammetjes

'Soms word ik door ontwikkelingswerkers betaald om mee te doen aan hun projecten', zegt Umaru Garba, een boer uit een dorpje ten noorden van Tanout. Gekleed in een veel te groot overhemd en plastic teenslippers kijkt hij uit over zijn velden. Garba vertelt dat regelmatig blanke ontwikkelingswerkers op bezoek komen om ongevraagd te adviseren over nieuwe landbouwtechnieken. 'Ze beloven ons een zak rijst als we hun aanwijzingen uitvoeren.'

Met name VN-organisaties passen deze tactiek toe. Om boeren over de streep te trekken kan het volgens het WFP geen kwaad ze in natura te belonen. Garba vertelt dat hij op VN-advies twee jaar geleden dammetjes heeft aangelegd op zijn akkers, zodat het regenwater niet meteen wegstroomt. 'In de plassen die ontstonden moest ik planten zaaien. Door de dammetjes zouden die planten geen gebrek aan water hebben.' Garba haalt zijn schouders op, alsof het hem allemaal niet uitmaakt. Afgelopen jaar legde hij geen dammetjes aan. 'Er kwamen dit keer geen ontwikkelingswerkers langs met een gratis zak rijst. Bovendien ben ik niet overtuigd van het nut van de adviezen. Als ik planten zaai zonder dammetjes groeien ze ook. Gierst is een sterk gewas.'

Ontwikkelingswerkers krijgen al jaren het verwijt dat hun hulp mislukt doordat die niet genoeg is afgestemd op lokale behoeftes. Dus werd een paar jaar geleden de term 'ownership' ingevoerd. Donoren voeren niet langer hun eigen projecten uit, zeggen ze, maar ondersteunen lokale initiatieven van zowel overheden als particuliere organisaties. In de praktijk blijkt echter nauwelijks iets veranderd. Neem de Poverty Reduction Strategy Paper (PRSP), die veel donoren tegenwoordig als voorwaarde stellen voor hulp. In de PRSP geeft de regering van een land als Niger aan hoe het denkt de armoede te bestrijden. Natuurlijk staan dergelijke programma's vol termen die donoren graag willen horen - zoals duurzaamheid, milieubescherming en vrouwenrechten. De ontvangende landen beseffen dat ze anders geen geld krijgen. Uiteindelijk is er dus nog steeds geen ownership.

'Ik vraag me vaak af wat ontwikkelingswerkers in Afrika komen doen', zegt Dramane Maïga, ingenieur bij het nationale elektriciteitsbedrijf van Mali. 'Ze beweren ons te komen helpen, maar ik vermoed dat ze een verborgen agenda hebben. Wat ontwikkelingswerkers Afrikanen cadeau geven, pakken ze ons in het geniep vaak weer af. Bijvoorbeeld door hun grenzen te sluiten voor katoen uit Mali.'

In een bar in de stad Gao, in het noordoosten van Mali, drinkt Maïga een flesje cola. Wat hem opvalt is dat de afgelopen jaren veel christelijke hulporganisaties in Mali zijn neergestreken. 'Je hebt hier in Gao bijvoorbeeld de Amerikaanse Baptistenkerk die ontwikkelingshulp gebruikt om moslims te bekeren tot het christendom. Malinezen die zich bekeren krijgen voedsel, of geld voor hun studie.'

Maïga is moslim, zoals bijna iedereen in Mali. Onder invloed van evangelische ontwikkelingshulp hebben zich de afgelopen jaren tot zijn ontzetting enkele tientallen moslims in Gao bekeerd tot het christendom. Maïga vindt dat de evangelisten haat zaaien. 'Ze maken er geen geheim van dat ze de islam een minderwaardige religie vinden. Hoe meer ik erover nadenk hoe kwader ik word.'

Volgens de Malinezen is er ook een verband tussen ontwikkelingshulp en spionage. Amerikaanse inlichtingendiensten beweren dat in de woestijn van Noord-Mali moslimgroeperingen opereren die in contact staan met Al-Qaeda. Het terreurnetwerk van Osama bin Laden zou volgens de regering Bush mobiele brigades hebben die in het grensgebied tussen Algerije en Mali veel geld verdienen met drugs- en mensensmokkel. In Gao is het aantal Amerikaanse ontwikkelingswerkers in de regio sinds 11 september 2001 sterk toegenomen. Zo heeft US Aid, de hulporganisatie van de Amerikaanse regering, verschillende nieuwe projecten gestart. Volgens veel inwoners van Gao zijn de Amerikaanse ontwikkelingswerkers in werkelijkheid CIA-spionnen.

Tureluurs

Hoeveel de Afrikanen in Tsjaad, Niger en Mali ook aan te merken hebben op de westerse ontwikkelingswerkers, ze scheren ze toch niet allemaal over een kam. Mohamed Alhoesseïny, coördinator van de Malinese hulporganisatie Radec benadrukt dat er grote verschillen zijn tussen de nationaliteiten. Amerikaanse ontwikkelingswerkers hebben de naam dat ze het christendom verbreiden, Duitsers zijn vermaard om hun ongeduld. Nederlanders, zo valt te horen, doen extreem moeilijk over details. 'Ik doe zaken met het Nederlandse Cordaid', zegt Alhoesseïny. 'Toen ik laatst geld vroeg voor een vrouwenproject hadden ze voortdurend nieuwe vragen. Ik werd er tureluurs van.' Amerikanen en Fransen doen volgens Alhoesseïny minder moeilijk: 'Die stellen niet zo veel vragen en ook hoef je achteraf geen uitgebreide evaluatie in te leveren, zoals Cordaid wil.' Toch is Alhoesseïny niet ontevreden over de Nederlanders. 'Twee weken geleden kreeg ik te horen dat mijn projectvoorstel om nomadenvrouwen krediet te geven voor het kopen van schapen, is goedgekeurd.' 70.000 euro kan hij tegemoet zien.

Ontwikkelingswerkers uit verschillende landen blijken slecht te kunnen samenwerken en ook hulpverleners van dezelfde nationaliteit hebben weleens grote meningsverschillen. Daardoor zijn in bijna elk Afrikaans land tientallen westerse hulpclubs actief, die met elkaar concurreren. Pogingen om de activiteiten op elkaar af te stemmen, verlopen moeizaam. Voor Afrikanen is het bijna onmogelijk om in de wirwar van hulporganisaties een lijn te ontdekken. Een projectvoorstel dat is opgesteld volgens de richtlijnen van de ene donor, wordt door de andere resoluut afgekeurd. Het lijkt bijna een logisch gevolg dat Afrikanen een ontwikkelingswerker zien als iemand die je met het juiste verhaal geld uit de zak kunt kloppen.

Aminata Traoré, sociaal-psycholoog en oud-minister van Cultuur en Toerisme in Mali, stoort zich aan de arrogantie van ontwikkelingswerkers: 'Ze komen wel even vertellen wat goed voor ons is. Wat Afrikanen er zelf van vinden, interesseert hen vaak niet.' Traoré, die in 2004 een Prins Claus Prijs ontving voor de promotie van de Afrikaanse cultuur, verwijt ontwikkelingswerkers dat ze Afrika proberen te modelleren naar Europa en Amerika. 'Alsof alles wat uit Afrika komt per definitie minderwaardig is.' Traoré geeft als voorbeeld westerse feministen die Afrikaanse vrouwen vertellen dat polygamie slecht is. 'Dan denk ik: laat ons daar alstublieft zelf over beslissen. Veel ontwikkelingswerkers willen niet inzien dat polygamie ook positieve aspecten heeft. In een land als Mali, waar geen sociaal vangnet is, is polygamie vaak onontbeerlijk. Vrouwen van wie de echtgenoot overlijdt, worden de tweede vrouw van hun zwager. Zonder polygamie zouden veel weduwen verkommeren.'

Het naar de mond praten van ontwikkelingswerkers is in Mali een nationale ziekte geworden, meent Traoré. 'Door het geld dat ze meebrengen, zullen weinig Afrikanen hen tegenspreken. De werkelijke problemen, de oneerlijke internationale handel en het wanbeleid van Afrikaanse leiders, blijven onopgelost. Daardoor doen ontwikkelingswerkers in veel gevallen meer kwaad dan goed. Het is een trieste conclusie, maar het is helaas de waarheid.'

    • Gerbert van der Aa