Een richtlijn is geen parlementair spelletje

De Dienstenrichtlijn zoals het Europees Parlement die vorige week aannam, was volledig voorgekookt in de achterkamertjes van Brussel (NRC Handelsblad, 17 februari). Dat líjkt een succesvolle strategie: de sociaal-democraten en christen-democraten kregen zo een meerderheid achter hun voorstel zonder zich iets te hoeven aantrekken van de overige fracties. Maar dat succes bestaat alleen in de plenaire zaal van Straatsburg en voor zolang de vergadering duurt. Buíten het parlement is het draagvlak voor de richtlijn op z’n best volkomen onduidelijk en waarschijnlijk veel geringer.

Het dienstenrichtlijncompromis heeft volgens de PvdA het omstreden oorspronglandbeginsel eruit gehaald, volgens de christen-democraten echter niet. In het parlementaire spel kunnen beiden daar blijkbaar mee leven. Een richtlijn is echter geen spelletje en niet bedoeld voor het parlement, maar voor de werkvloer. En daar zitten ze nu met de brokken.

Alleen bange politici menen dat zij vooral ín het parlement vrienden moeten maken en dús moeten gaan voor elk mogelijk compromis. Maar dat is niet hun opdracht. Meer openheid zou hun achterban juist kunnen mobiliseren, waardoor de resultaten nog beter uitpakken dan met het sluiten van compromissen in achterkamertjes bereikt kan worden. Transparantie is niet alleen een rechtvaardige eis, politici hebben daarbij ook een wereld te winnen. Wat zich vorige week in Straatsburg afspeelde, is struisvogelpolitiek, want winnen in het parlement is nog niet winnen in de echte wereld. Deze houding is de dood in de pot voor de democratie en laat vooral zien hoe groot de afstand is tussen burgers en (in dit geval Europese) bestuurders.