Dit gebouw versterkt onze nationale trots

Garrie van Pinxteren neemt afscheid als correspondent van onze krant in China. Voor haar laatste reportage op deze pagina reisde ze met boer Wang naar Peking om hem de stad en de moderne tijd te laten zien.

Wang Chaoshun bekijkt het stadsverkeer in Peking. China's modernisering is grotendeels voorbij gegaan aan zijn dorp, zo'n 60 kilometer van de hoofdstad. Foto Aart Kooij Kooij, Aart

Bewonderend glijdt zijn eeltige hand over de gladde voegen tussen het glimmend witte marmer in de Grote Hal van het Volk. 'Wat een vakmanschap', zegt de 70-jarige boer Wang Chaoshun. Hij maakt voor het eerst een toeristisch uitstapje naar Peking. Hij kent de stad nauwelijks, hoewel hij er maar 60 kilometer vandaan is geboren.

Wang was twee keer eerder in Peking. De eerste keer was aan het eind van de jaren '50 van de vorige eeuw, toen hij met een geleend geweer over zijn schouder op het Plein van de Hemelse Vrede naar Mao mocht luisteren. Hij was met een groep boeren uit zijn dorp naar de hoofdstad gestuurd om van daaruit per trein verder te reizen naar een andere plaats buiten Peking. Daar moest hij de arbeidskracht leveren voor de aanleg van een groot waterreservoir.

'Het Plein leek toen veel kleiner', vertelt Wang, die voordoet hoe hij half naar het balkon van de Verboden Stad gedraaid moest staan om met een revolutionaire blik op te kunnen kijken naar de leiders op het balkon van de Verboden Stad. Er waren zo veel mensen op het Plein samengepakt dat de dranghekken onder de massa bezweken.

Eind jaren '80 was hij nogmaals kort in Peking, toen om financiële steun te vragen van de man die tijdens de Culturele Revolutie in 1970 van de stad naar het platteland was gestuurd en bij Wang in zijn productiebrigade kwam werken.

Wang had eerst naar Peking laten bellen. 'Ik wist niet hoe dat moest, hoe je het nummer moest vormen met die cijfers. Ik moest er de hulp van iemand anders uit het dorp bij halen.'

Vroeger was hij leider van een productiebrigade, nu verzorgt hij alleen nog zijn eigen kastanje- en walnotenbomen. Daarnaast maalt hij meel voor het hele dorp in een vervallen schuur, waar twee elektrische molens staan. 'Gevaarlijk werk. De machines zijn zo oud dat er een keer één ontplofte. Gelukkig stond ik toen net buiten', zegt Wang lachend.

De muren zijn overdekt met een laagje witte stof, maar daaronder schemert nog vaag een communistische ster en een tekst uit het Rode Boekje van Mao. Wang weet niet wat er staat, hij is analfabeet.

Vandaag hoeft Wang niet te werken, een zeldzaamheid in zijn leven. Na een autoreis van ruim een uur dwaalt hij door het parlementsgebouw van China, de Grote Hal van het Volk die in 1958 als één van de tien 'nieuwe grote gebouwen' in Peking werd neergezet.

'Het hele parlement is binnen tien maanden gebouwd. Dat toont wel aan wat een geweldig volk wij Chinezen toch eigenlijk zijn', zegt een gids, die de bezoekers hartelijk uitnodigt om vooral ook op de verlichte rode ster in het dak van het al lang niet meer nieuwe gebouw te letten.

Wang vindt de stalinistische pracht en praal van het gebouw heel imposant. Hij vindt het ook niet overdreven, maar passend bij een groot land als China. 'Dit gebouw versterkt onze nationale trots. Hier ontvangen we het buitenland. Ik had graag meegewerkt aan de bouw, maar ik had de vaardigheden niet', zegt Wang een beetje teleurgesteld.

Hij mocht wel meewerken aan de aanleg van twee waterreservoirs, en later aan de snelweg die vanuit de buurt van zijn dorp naar Peking leidt. Hij heeft daar vandaag pas voor het eerst zelf met een auto overheen gereden. 'Ze waren heel tevreden over mijn werk. Ik heb er een vel papier en een paar handschoenen voor gekregen', vertelt hij trots.

Het vel papier was een oorkonde waarin de overheid haar waardering voor de grote inspanningen van Wang uitdrukte, maar voor Wang bleef het een mysterieus en nutteloos cadeau.

'Ik werk als sinds ik één meter lang ben op het land. Mijn ouders konden me niet meer naar school sturen toen mijn vader ziek werd, dus kreeg ik een rieten mand op mijn rug mee om hout te sprokkelen', vertelt Wang, die nog steeds op het land werkt om zijn zieke vrouw en zijn kleindochter te kunnen verzorgen. De ijzeren plaat die zijn vrouw in haar been heeft laten zetten na een breuk is er nog steeds niet uitgehaald, want er is geen geld voor die operatie. 'Als ik ziek word, is het over. Dan kan ons gezin zichzelf niet meer bedruipen' zegt hij als hij een compliment over zijn stalen gezondheid krijgt.

Maakt Peking indruk op hem? Het Plein van de Hemelse Vrede en het parlement het meest. De stromen auto's en de nieuwbouw lijken hem bijna te veel om in één keer een plaats te geven. 'Ik heb nog nooit zoveel auto's en hoge gebouwen bij elkaar gezien', zegt hij. Hij is al diep onder de indruk van een bankgebouw van nog geen tien verdiepingen hoog, een gebouw van niets eigenlijk in het moderne Peking.

Peking is wel erg veranderd, vindt hij. 'Vroeger zeiden wij in het dorp altijd: 'In Peking is het net als bij ons, er wonen alleen meer mensen'. Maar nu is dat niet meer zo. Peking heeft van alles wat wij niet kennen, het is enorm vooruitgegaan.'

Toch wil Wang 's avonds wel weer naar huis. 'Je kunt alleen in zo'n stad als Peking wonen als je er de middelen voor hebt. Voor ons is het veel te duur. Ik ga terug naar mijn dorp, want daar ben ik nodig. Morgen ga ik gewoon weer aan de slag. Ik blijf er werken tot ze me van het land af moeten dragen. Dat is mijn lot. Het is wat mijn gezin en mijn vaderland nu eenmaal van me vragen.'

    • Garrie van Pinxteren