De Vinex-variatie

Nog voor de bouw in 1995 begon, hadden de Vinex-wijken al een slechte reputatie. Ten onrechte, zoals nu blijkt. Een rapport van het Ruimtelijk Planbureau maakt korte metten met alle vooroordelen en clichés over de Vinex-wijken. 'Deze wijken zullen heel lang meegaan.'

Brandevoort, de Vinex-wijk van Helmond ontworpen door Rob Krier Foto's Leo van Velzen Helmond, 04/11/05. Deelgemeente Brandevoort, de wijk De Veste. Foto Leo van Velzen/Nrc.Hb. Velzen, Leo van

Vinex is de hel. Vinex-wijken zijn saai, monotoon en armzalig, is het algemene oordeel over de nieuwe buitenwijken die nu overal in Nederland in aanbouw zijn. 'Eenvormige buitenwijk aan de rand van de stad' - zo werd de Vinex-wijk in deze krant dan ook eens als vanzelfsprekend omschreven in een aankondiging van een documentaire over wonen.

Hun slechte reputatie kregen de Vinex-wijken al vlak nadat de rijksoverheid in de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (Vinex) in 1993 tientallen gebieden had aangewezen waar van 1995 tot 2005 ruim 450.000 woningen moesten worden gebouwd. Nog voor de bouw begon wilden sommige gemeenten het acronym 'Vinex' niet aan hun nieuwe wijken verbinden uit angst dat niemand er zou willen wonen. En toen een paar jaar later de eerste stukjes Vinex-wijken werden opgeleverd, maakten veel critici ze onmiddellijk met de grond gelijk. 'Het zijn in essentie schrale jaren-zestig-woningen die mooi worden opgedirkt: een trabant die naar wens wordt aangekleed als een Opel, een Mercedes of een Citroën. Maar het blijft een Trabant', schreef Adri Duivesteijn, PvdA-kamerlid en voormalig directeur van het Nederlands Architectuurinstituut in het Jaarboek Architectuur in Nederland 1998-99. Hilde de Haan en Ids Haagsma deden er in de Volkskrant nog een schepje bovenop. De Vinex-wijken waren 'de getto's van morgen', voorspelden zij. Nog voor er ook maar één Vinex-wijk was voltooid, was het oordeel geveld: Vinex was niks en zou ook nooit wat worden. 'Vinex - dat moeten we niet meer doen', zei minister Dekker van VROM dan ook vlak na haar aantreden in 2003.

Maar nu is er dan het rapport Vinex! van het Ruimtelijk Planbureau. Deze 'morfologische verkenning' maakt korte metten met alle clichés die over de Vinex-wijken bestaan. Nooit eerder waren buitenwijken in Nederland zo gevarieerd als Vinex-wijken, concluderen de vier onderzoekers van het ruimtelijk planbureau. 'De nieuwe eeuw had in stedenbouwkundig opzicht slechter kunnen beginnen', luidt de laatste zin van het onderzoek.

Aanleiding voor het onderzoek is dat de Vinex-periode in 2005 officieel is afgelopen. 'Dat is een mooi moment om eens te kijken wat er van Vinex terechtgekomen is', zegt Han Lörzing, een van de auteurs van het rapport , in een vooroorlogs bakstenen gebouw in Den Haag. 'Bovendien hoef je niet erg recalcitrant te zijn om je af te vragen of al die negatieve oordelen en publiciteit over Vinex nu ook echt waar zijn.'

Woontorens

De vier onderzoekers van het ruimtelijk planbureau bezochten dertien Vinex-wijken. Ze bekeken, fotografeerden en analyseerden deze als ware veldwerkers van top tot teen, van de straten en de pleinen tot de woningen en de tuinen. 'De grote variatie doet zich in Vinex-wijken op alle niveaus voor', zegt Lörzing. 'Ten eerste is het verschil tussen de Vinex-wijken onderling heel groot. IJburg in Amsterdam wordt bijvoorbeeld een dichtbebouwde wijk met zo'n 60 woningen per hectare, terwijl er in Haverleij bij Den Bosch maar 6 per hectare komen. Tussen deze twee uitersten zitten wijken met heel uiteenlopende bebouwingsdichtheden. Bovendien kennen Vinex-wijken steeds andere stratenpatronen. Je hebt ouderwetse rastersteden en wijken met boulevardachtige lanen die toegang geven tot de buurtjes. Floriande in Hoofddorp bestaat voor een groot deel uit eilanden waarop buurten zijn gebouwd. Eigenlijk kun je niet spreken van dé Vinex-wijk.'

Ook binnen de afzonderlijke Vinex-wijken bestaan vaak grote verschillen tussen de buurten, legt Lörzing verder uit. Veel Vinex-wijken hebben een dichtbebouwd centrum, zoals Ypenburg waar onlangs negen blokken met woontorens werden opgeleverd. 'De 'Stadtkrone' , die de Duitse expressionistische architecten een eeuw geleden als centra van nieuwe steden wilden, is terug in de stedenbouw', zegt Lörzing. 'Daar staan dan bijvoorbeeld in Ypenburg ruim opgezette, groene buurten met vrijstaande woningen tegenover. En tussen deze uitersten zitten dan weer buurten met diverse bebouwingsdichtheden en bouwhoogtes. Hier ligt natuurlijk het gevaar op de loer dat elke Vinex-wijk wordt gekenmerkt door eenzelfde soort variatie, zodat de wijken door de herhaling van de variatie toch weer op elkaar lijken. Maar in de dertien wijken die wij hebben onderzocht zag je dat dit gevaar werd bezworen door de steeds andere stedenbouwkundige ontwerpen van de wijken.'

Ten slotte is ook de variatie in architectuurstijlen groot. 'Aan de ene kant zie je nog veel modernisme in Vinex-wijken', zegt Lörzing. 'Aan de andere kant kom je steeds meer traditionalisme tegen. Het centrum van Brandevoort, een nieuw vestingstadje, staat bijvoorbeeld helemaal vol met huizen die zijn geïnspireerd op die uit de achttiende eeuw. Je vindt opvallende stijlen, zoals 'historiserend eclecticisme' en 'colonial'. Maar ondanks de veelheid aan stijlen is er toch, heel voorzichtig, een Vinex-stijl aan het ontstaan. Die zou je vernacular kunnen noemen als het niet zo'n rotwoord is, een middle-of-the-road-stijl die de terughoudende modernistische vormgeving combineert met traditionele materialen.'

Door de variatie op alle niveaus vormen de Vinex-wijken een breuk met de woonwijken zoals die in de twintigste eeuw gebruikelijk waren. 'Tot de jaren negentig waren Nederlandse nieuwbouwwijken oefeningen in herhaling. Elk decennium had weliswaar zijn eigen modes in stedenbouw en architectuur, maar die zag je dan ook overal in Nederland. Vinex-wijken zijn juist oefeningen in variatie.'

Wim Derksen, directeur van het Ruimtelijk Planbureau, voegt eraan toe dat Vinex-wijken, veel meer dan voorgaande nieuwbouwwijken, op zichzelf staande stadsdelen zijn. 'Toen Utrecht begon met Leidsche Rijn, de grootste Vinex-wijk van Nederland, dacht het gemeentebestuur dat Utrecht er een enorme buitenwijk bij zou krijgen', zegt Derksen. 'Men dacht dat Leidsche Rijn, net als de voorgaande nieuwbouwwijken, weer een extra schil rondom de stad zou worden. Maar dat blijkt niet het geval. Nu Leidsche Rijn een zekere omvang krijgt, moet je vaststellen dat het een zelfstandige stad wordt. Bewoners van Leidsche Rijn gaan voor hun vertier en grote inkopen niet meer vanzelfsprekend naar de binnenstad van Utrecht. Ze gaan net zo makkelijk naar Amsterdam dat op een halfuurtje rijden ligt. Of ze gaan gewoon naar het centrum van de eigen wijk.'

Dat veel Vinex-wijken nieuwe stadjes zijn, compleet met 'Stadtkronen', heeft ook te maken met hun ligging. Vaak worden ze gebouwd bij snelwegen, waardoor ze, zoals Leidsche Rijn bij Utrecht en Vathorst bij Amersfoort , zijn gescheiden van de steden waar ze officieel bij horen. Hierdoor hebben de Vinex-wijken hun plek gevonden in de netwerkstad, een verschijnsel dat in Nederland in de jaren negentig opkwam. In de netwerkstad zijn de bewoners van de buitenwijken niet langer gericht op de oude binnensteden, maar stellen hun eigen 'stad' samen uit een groot aantal bestemmingen in een wijde omgeving. Ze werken op een bedrijventerrein dertig kilometer ten oosten van hun woning en rijden tien kilometer zuidwaarts om hun kinderen naar school te brengen. Boodschappen doen ze in een winkelcentrum onderweg van hun werk of ze rijden er op zaterdag naar toe om hun auto vol te laden voor een hele week. Naar de bioscoop gaan ze in een megaplex aan de rand van de steden, sporten doen ze in een sporthal tien kilometer ten noorden van hun woonwijk. En heel af en toe gaan ze naar een restaurant in een oude stad, maar dat is niet per se de stad waar hun wijk officieel deel van uitmaakt.

Overlopers

'Toen de Vinex-wijken ontstonden, was het idee dat ze zouden bijdragen aan wat in het begin van de jaren negentig de 'compacte stad' werd genoemd', legt Wim Derksen uit. 'Ze werden tegen de bestaande steden gebouwd met de bedoeling dat het woon-werk-verkeer beperkt zou blijven. Dit was een reactie op de 'groeikernen' van de jaren zeventig en tachtig. Toen moesten bijvoorbeeld steden als Purmerend, Almere en Hoorn juist veel woningen bouwen om de 'overloop' uit Amsterdam op te vangen. Dat leidde tot een toename van het woon-werk-verkeer, want de overlopers bleven vaak wel in Amsterdam werken. Nu kun je vaststellen dat de Vinex-wijken nauwelijks hebben geleid tot een beperking van de mobiliteit - wat dit betreft zijn ze niet gelukt. Maar ze blijken wel goed functionerende onderdelen van de netwerkstad waarvan niemand in het begin van de jaren negentig, toen Vinex begon, een vermoeden had. De Vinex-wijken waren hun tijd vooruit.'

Als Vinex-wijken zo gevarieerd zijn en goed functioneren, waarom vinden zoveel critici ze dan zo erbarmelijk?

Han Lörzing: 'Dat komt door de algemene afkeer van grootschalige nieuwbouw. Vergeet ook niet dat veel Vinex-wijken nog heel kaal zijn en geen bomen hebben en dat je vaak door de bagger naar je nieuwe huis moet. Het is nu moeilijk om te zien hoe de Vinex-wijken uiteindelijk zullen zijn.'

Wim Derksen: 'De eindeloze variatie van de Vinex-wijken kan inderdaad erg saai worden. De weerzin tegen Vinex heeft ook te maken met de zoektocht naar een antwoord op de vraag hoe nieuwbouw er nu, aan het begin van de 21ste eeuw, uit moet zien. Het tijdperk van het modernisme is nu toch echt ten einde, maar hoe nieuwbouw dan wel moet zijn, is nog niet duidelijk. Je ziet in veel Vinex-wijken pogingen om tegemoet te komen aan de smaak van de burger. Maar tegelijkertijd gaat het in Vinex-wijken nog altijd om massawoningbouw. De geplande 450.000 woningen in tien jaar tijd zijn weliswaar niet gehaald, maar het gaat wel om enorme aantallen. Veel architectuur in de Vinex-wijken mag dan 'onmodern' zijn, de planning ervan is nog altijd modernistisch en staat nog steeds in het teken van de maakbare samenleving. Daardoor is de woningbouw in de Vinex-wijken ook nog altijd onderworpen aan een enorme regeldrift. Dit leidt tot vlees noch vis: aan de individuele smaak van de bewoners wordt op ouderwets massale wijze tegemoet gekomen. Ik kan me wel voorstellen dat dat tot irritatie leidt. '

Han Lörzing: 'De Vinex-wijken worden vaak veroordeeld om hun gebrek aan stedelijkheid. Veel critici vinden ze niet stedelijk maar ook niet dorps. Toen Vinex begon, verwachtten veel stedenbouwers dat de nieuwe buitenwijken grootstedelijker zouden worden dan de voorgaande generaties buitenwijken. Misschien werd deze verwachting gewekt door het begrip 'compacte stad'. Maar in de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra, die ten grondslag lag aan de Vinexwijken, wordt geen enkele uitspraak gedaan over het karakter of de 'stedelijkheid' van Vinex-wijken. Vinex wordt vaak dan ook bekritiseerd op grond van door de critici zelf verzonnen criteria.'

De Vinex-wijken zijn de laatste grote woningbouwopgave in Nederland, verwacht Derksen. De nieuwe nota Ruimtelijke Ordening, die onder de eenvoudige titel Nota Ruimte vorig jaar door de Tweede Kamer werd aangenomen, betekent het einde van de centrale sturing van de Nederlandse woningbouw, zoals de Vinex-wijken die nog kennen. Voortaan mogen gemeenten en provincies zelf bepalen waar en wat ze bouwen. Maar het einde van het tijdperk van de maakbare samenleving in de stedenbouw betekent nog niet dat de bouw van de Vinex-wijken nu ook stopt. 'De bouw gaat door tot de Vinex-wijken omstreeks 2015 allemaal af zijn', zegt Han Lörzing. 'De blauwdrukken zijn klaar, de grond is gekocht, de investeringen zijn gedaan: de Vinex-wijken zijn niet meer te stoppen.'

Wel constateert Derksen dat de Vinex-wijken niet voorzien in de groeiende behoefte aan landelijk wonen in Nederland. 'Uit een eerder onderzoek van het Ruimtelijk Planbureau, De LandStad. Landelijk wonen in de netwerkstad, blijkt dat er grote behoefte bestaat aan groen en dorps wonen in de nabijheid van stedelijke voorzieningen. Ook echt landelijk wonen aan de ene kant en echt stedelijk wonen aan de andere kant zijn gewild. Allemaal wensen die niet overeenstemmen met wat de grote Vinexwijken te bieden hebben', zegt Derksen. 'Gemeentes en provincies krijgen in de Nota Ruimte de ruimte om dorpen te bouwen, of landgoederen. Of dat ook echt gebeurt, hangt af van hun creativiteit en doortastendheid.'

Als het 'landstedelijke' wonen echt van de grond komt, moeten de Vinex-wijken concurreren met de nieuwe dorpen en de lintbebouwing. Bestaat er dan niet toch de kans dat Vinexwijken de getto's van morgen worden, als iedereen liever in nieuwe dorpen of juist in de grote stad woont?

Wim Derksen : 'Nee, dat geloof ik niet. Dat het met veel wijken uit de jaren vijftig en zestig nu niet goed gaat en dat grote stukken daarvan worden gesloopt en vernieuwd, heeft mede te maken met het feit dat het opeenhopingen van sociale-huurwoningen zijn. En Vinex-wijken bestaan voor zeventig procent uit koopwoningen.'

Han Lörzing: 'Daar komt bij dat de Vinexwijken ook anders in elkaar zitten dan de oude buitenwijken. Het zijn rijkgeschakeerde wijken met een grote diversiteit aan leefomgevingen. Zo zie je er nu veel hofjesachtige buurtjes die beslotenheid en beschutting bieden die zoveel bewoners nu op prijs stellen. De Vinex-wijken zullen lang meegaan, denk ik. Daar zal de komende vijftig jaar niet zo gek veel veranderen.' Han Lörzing, Wibeke Klemm, Miranda van Leeuwen, Suus Soekimin: Vinex! Een morfologische verkenning. Uitg. NAI Uitgevers/Ruimtelijk Planbureau, 2006. Prijs 22,50 euro