C.S. Lewis en de transcendente Bemoeial

In de serie over mensen die hem inspireren schrijft Willem Jan Otten deze maand over C.S. Lewis, auteur van The Chronicles of Narnia, dat net is verfilmd. In Narnia staat een offer centraal.

Dat C.S. Lewis in deze reeks zou optreden, wist ik meteen. Er gaan weinig dagen voorbij dat ik niet aan hem denk. Intussen is er in mijn kennissenkring geen hond die hem leest. Geen idee of daar verandering in gaat komen, nu de verfilming van een van zijn kinderboeken, The Chronicles of Narnia te zien is.

Kinderen ruiken dat het opwindend materiaal is, dat van Lewis. Kinderen zijn geboren gelovigen en willen dolgraag door een kast in een Ander Land terechtkomen waar een IJskoningin regeert, die alleen met moed en verbeelding verslagen kan worden. Hun ouders van nu ergeren zich, hoor ik, aan het ouderwetse goed/kwaad-schema dat zij menen waar te nemen. Alsof dat schema bij Harry Potter of The Lord of the Rings minder primitief zou zijn. Dat is niet zo, integendeel: er is niemand 'goed' bij Lewis, - de ergernis zit dan ook dieper. Het is namelijk onmogelijk om niet op te merken dat de film om een offer draait. Het spannende verhaal kan alleen maar ten goede keren als het geliefdste personage, de leeuw Aslan, zich zelf laat slachten door zijn vijand. En dat gebeurt niet in een gevecht met ongewisse afloop, maar als een daad van Aslans vrije wil.

Zo onomwonden wordt het proces dat van Jezus de verlosser heeft gemaakt zelden verbeeld, zeker niet in kinderfictie. Ik wist waar ik heen ging, want in de elf jaren dat ik het werk van C.S. Lewis ken, heb ik de zeven Narnia-boeken dikwijls herlezen. Ik wist dus dat ik iets te zien zou krijgen dat de theologische tendens om in Jezus een steeds gewonere jongen te zien, zou weerspreken. Het was eigenlijk net als bij The Passion of the Christ, waar eigentijdse theologen zo hysterisch verontwaardigd over hebben gedaan: we zouden een Christus-figuur te zien krijgen die domweg voluit geloofde dat hij de Redder was.

Het vreemde is dat je je kunt verheugen op het zien van dit tragische verhaal, en op de intense emoties die het oproept. Op dit verheugen zijn de christelijke rituelen gebaseerd.

Gethsemane

Ik kan alleen maar gissen wat er in moderne, van alle christendom afgewende ouders is omgegaan tijdens het zien van de film. Voelden zij zich in een fuik gelokt? Maakten zij zich ongerust over de ziel van hun kindertjes? Is de herinnering aan Pasen zo vervaagd dat de crux onopgemerkt bleek?

Er ging een geweldige Gethsemane-kracht uit van de scène waarin Aslan helemaal alleen (nageslopen door de twee zusjes van het verhaal), naar zijn executie loopt. Aslan doet dit voor een van de twee broers van het verhaal, nota bene de lafste, de 'slechtste', de verrader van zijn familie... Je wil dat Aslan het doet. Je wil even sterk niet dat hij, die het verhaal zijn 'goede afloop' kan geven, sterft... Er is een Oorlog op handen, hoe moet het zonder hem...

Het zijn reusachtige noties die Lewis dramatiseert. Net als bij lezing van de Narnia's voelde ik mij weer voor merkwaardig vol aangezien.

Is dit nog wel voor kinderen? Maar ik wist tezelfdertijd dat dit juist voor kinderen is. Die zien zichzelf voor voller aan dan hun ouders. En ik denk dat dat het geheim is van het hele oeuvre van C.S. Lewis. Zijn onderwerp is altijd het geloof geweest, of beter: geloven, en geloven is iets dat van volwassenen iets vergt wat ze zich alleen maar kunnen herinneren van toen ze kind waren, en 'vol' vertrouwen.

Welbeschouwd is het curieus dat Lewis de Essayistische Verdediger van het Godsverlangen is geworden. Hij heeft alles meegemaakt en doorgedacht wat zijn eeuwgenoten tot scepsis, atheïsme en versmading van alle kerk heeft gebracht. In zijn autobiografie, Surprised by Joy, beschrijft hij de vroege dood van zijn moeder in 1908 (hij was tien), zijn abrupte geloofsafval (van een zwaar, vreugdeloos protestantisme) tijdens een internaatstijd die hij met Bergen-Belsen vergelijkt, zijn maanden in de Noord-Franse loopgraven waar hij zijn beste vriend verloor en zelf gewond werd, zijn atheïstische adolescentie, Engels en Klassieke Talen studerend in Oxford. Hij was van Noord-Ierse afkomst; hij bleek onrustbarend scherpzinnig; hij schreef een meesterwerk over Middeleeuwse literatuur: The Allegory of Love.

Het boek wordt zeventig; ik ken literatuurwetenschappers die er bij zweren, omdat zij van Lewis 'hebben leren denken'.

Messcherp redeneerder

Maar niet alleen de gebeurtenissen van zijn leven, maar ook het soort brein dat hij had, maakte hem tot zo'n onwaarschijnlijke bekeerling; als hij Beckett of Vestdijk was geworden had je het leven beter begrepen. In al zijn geschriften (zelfs een beetje in zijn kinderboeken) is hij een messcherp redeneerder, en een economisch concludeerder. Vaak doet hij denken aan Karel van het Reve, aan diens elegante, metaforenrijke, speelse denkconstructies. En zo beschrijft hij in Surprised by Joy dan ook zijn uiteindelijke gang naar het geloof: als een schaakspel, waarop hij zelf pion én speler is. Hij is 31, hij had zo lang mogelijk volgehouden dat het geloof 'volstrekt onwaar is, een soort endemische nonsens waar het mensdom steeds weer toe vervalt'. En wat het christendom betreft: 'centraal stond daarin, zoals ik het zag, een transcendente Bemoeial'.

Zijn gang naar het vermaledijde christendom wordt stap voor stap beschreven, met een ontzagwekkend geheugen voor denkbeelden en rationaliseringen. Voor filosofen moet het een belediging zijn dat iemand met zo'n brein geen filosoof is geworden; voor ons is het een voordeel, want nu beschikken we over een jargonloze schrijver, die tot de creatiefste lezers gerekend kan worden, en die de lastigste zingevingsvragen stelt op basis van zijn persoonlijke ervaring. 'Wat ik zo prettig vind aan ervaring, is dat zij zo eerlijk is'. Hij is een matig dichter, maar in zijn proza is hij als een dichter zo wars van abstracties.

Je je herinneren als een denkend iemand, met inbegrip van je waanideeën en je drogredeneringen is een speciale kunst, even filosofisch als verhalend: weinigen hebben van hun intellectuele ontwikkeling zo'n pakkend verhaal gemaakt als Lewis. En 'verhaal' is dan ook de eigenlijke sleutel tot zijn brein. Zijn verleden is grimmig, vaak liefdeloos, aanzettend tot alle cynisme en wanhoop - maar hij heeft altijd een verlangen gehad: een verhaal te zijn, of beter: deel uit te maken van een betekenisvol, bedoeld geheel.

Hij heeft het christendom niet 'ontdekt'. Zijn jeugd en zijn studies hadden hem al vertrouwd gemaakt met dat er zoiets bestaat als een schepper die vrije mensen heeft geschapen, en die zichzelf als redder aanbiedt in de gedaante van een mens. Hij heeft het moeten erkennen, als het enige verhaal dat hem verklaarde waarom hij zo hartstochtelijk zocht naar een betekenisvol geheel. Hij heeft zich opnieuw door het verhaal laten verrassen, - als door een Vreugde, die hij al lang bleek te kennen - van voor de dood van zijn moeder, van de ogenblikken waarop literatuur hem vervoerde. En toch schrijft hij dat hij in 1929 'de neerslachtigste bekeerling' was. 'Wie kan de lof zingen van een liefde die de poorten opent voor een verlorene die trappend, vechtend en boos wordt binnengehaald, naar alle kanten om zich heen kijkend of er nog ontsnapping mogelijk is?'

Twee duivels

Lewis' werk bestaat niet alleen uit essays en kinderboeken, maar ook uit romans. Ze zijn ideematig, zij het altijd spannend, en soms hilarisch, zoals Brieven uit de Hel, waarin twee duivels corresponderen over hun pogingen om een aanstaande bekeerling voor hun goede zaak te behouden. En overal duiken passages op waarin hij beschrijft hoe allesomvertollend de ervaring was dat het idee dat hij zocht, het 'principe' dat zijn leven tot 'het Geheel' zou maken, een persoon bleek te zijn. Niemand kan zuiver door te redeneren tot deze conclusie komen; de essentie van een persoon is dat hij niet door je bedacht wordt. Zodra je dit, zoals Lewis, 'toegeeft', verandert op slag alles.

Je kunt uit je eigen redeneringen niet de conclusie trekken dat iemand van je houdt. Deze ervaring, of dit besef, leidt bij Lewis nimmer tot ijdel gebruik van het woord Liefde. Integendeel. Als dit dan dus de God van de Liefde is, deze Vreugde, die naar Vreugde doet verlangen, en als het offer van Christus daar het bewijs van is - hoe moeten wij dan wel niet worden om het Geheel, het heelal, te aanvaarden als dat wat bedoeld is, door diezelfde Persoon?

Het indrukwekkende aan Lewis is dat hij nooit verder gaat dan zijn ervaring; hij doet niet alsof hij het Geheel ooit heeft kunnen aanvaarden. Hij blijft naar de mogelijkheid van aanvaarding verlangen. En dit verlangen is zijn onderwerp, zijn agenda. Wat is het? Hoe moet het? Wat vraagt het van me? De proof of the pudding was de dood van zijn vrouw Joy, die hij even voor zijn zestigste leerde kennen, zijn enige liefde. A Grief Observed heet het dagboekje dat hij na haar dood aan kanker, na een kort huwelijk, publiceerde. De eerste, klassieke, woorden zijn: 'Niemand heeft me ooit verteld dat verdriet hetzelfde gevoel geeft als angst.'

Als altijd verricht hij een chirurgisch onderzoek op zichzelf. En dus op zijn god: zou die niet een sadistische imbeciel kunnen zijn? Heel zijn apologetische werk van de decennia ervoor, dat hem in de Engelssprekende landen een ongekende faam had bezorgd, gaat op de schop. Het is een duel met de agressiefst denkbare wanhoop.

Dat hij op de laatste pagina een van de ontroerendste zinnen van zijn oeuvre kan schrijven, is het gevolg van de wijze waarop hij gevochten heeft: frontaal, geen ervaring uit de weg gaand. 'Als je kunt - als het toegestaan wordt - kom dan bij me als ik ook op mijn sterfbed lig'. De 'je' is Joy, maar Joy is God geworden, dezelfde die de wereld heeft geschapen waarin kanker bestaat en de wrede dood van Joy.

Je weet dat het geloof er is omdat deze dingen er zijn; je beseft, als je Lewis' werk leest, dat het onmogelijk is, de aanvaarding van alles, zelfs het lijden: alles in een mens spartelt tegen. Toch is het Verlangen er omdat deze dingen er zijn. Een liefde verklaren, tegen de klippen op - dat is wat Lewis heeft gedaan.

Arend Smilde werkt aan een voortreffelijke vertaling van zoveel mogelijk werk van C.S.Lewis. Aanbevolen eerste lectuur: De vier liefdes, De afschaffing van de mens, Verrast door vreugde. A Grief Observed is als Verdriet, dood en geloof vertaald door H.M. van Randwijk in 1961.

De vorige helden in Ottens serie waren: Blaise Pascal, Jorge Luis Borges, René Girard, Fjodor Dostojevski, Robert Bresson, Czeslaw Milosz en Joost van den Vondel.

    • Willem Jan Otten