Corruptie, ongelijkheid, oppermachtige staat - waarom we niet allemaalChinees moeten gaan leren

China's economische bloei doet investeerders duizelen. Maar de nieuwe torenflats en de rokende schoorstenen benemen het zicht op voortwoekerende corruptie, reusachtige verspilling en een elite die weinig doet om daar verbetering in te brengen. Niet democratie is de toekomst van China, maar verval.

Er is maar één ding dat nog sneller opkomt dan China, en dat is de Chinahype. In januari viel het bruto binnenlands product (bbp) van de Volksrepubliek hoger uit dan dat van Groot-Brittannië en Frankrijk, dus nu is China de vierde economie van de wereld. In december werd bekendgemaakt dat China de Verenigde Staten had verdrongen als 's werelds grootste exporteur van technische artikelen. Volgens vele deskundigen zal de Chinese economie in 2020 alleen nog die van de VS voor zich moeten dulden, en zou ze die voor het jaar 2050 kunnen inhalen.

Westerse investeerders zijn enthousiast over de sterke basispunten van de Chinese economie - met name de hoge spaarquote, de reusachtige arbeidsreserve en het sterke arbeidsethos - en sluiten graag de ogen voor haar onvolkomenheden. Ondernemers zien China als grootste producent én grootste markt van de wereld.

Waarom zouden zij níét in die hype geloven? De groei van China in de afgelopen twintig jaar heeft de pessimisten ongelijk gegeven en de verwachtingen van de optimisten overtroffen. Maar voordat wij nu allemaal Chinees gaan leren en oh en ah roepen over de daden van de Chinese Communistische Partij, is het goed om ons even te bezinnen. Bij nadere beschouwing is China's staat van dienst minder fraai dan het lijkt.

Zo is de economische groei van China sinds 1979 in feite minder indrukwekkend dan die van zijn Oost-Aziatische buurlanden, zoals Japan, Zuid-Korea en Taiwan, in vergelijkbare groeiperioden. Het stelsel van Chinese banken, dat Peking aan reddingsoperaties jaarlijks zo'n 30 procent van het bbp kost, zucht onder de last van onrendabele leningen en is waarschijnlijk het zwakste van heel Azië.

Achter de jubelende krantenkoppen gaan fundamentele gebreken schuil die wortelen in de neoleninistische staat in China. Anders dan het maoïsme combineert het neoleninisme het eenpartijstelsel en zeggenschap van de staat over essentiële sectoren van de economie met gedeeltelijke markthervormingen en een vaarwel aan de zelfgekozen afzondering van de wereldeconomie.

De maoïstische staat predikte het egalitarisme en vertrouwde op de loyaliteit van de arbeiders en de boeren. De neoleninistische staat praktiseert elitisme, steunt op technocraten, de strijdkrachten en de politie, en ruimt een plaats in voor nieuwe maatschappelijke elites (hoogopgeleide zelfstandigen en particuliere ondernemers) en buitenlands kapitaal - allemaal doodzonden onder het maoïsme. Het neoleninisme heeft de regerende Chinese Communistische Partij taaier gemaakt, maar ook zelfdestructieve krachten opgewekt.

In de ogen van de meeste westerse waarnemers overschaduwt het economische succes van China de roofzuchtige trekken van deze neoleninistische staat. Maar het autoritaire beleid schept een gevaarlijk mengsel van vriendjeskapitalisme, voortwoekerende corruptie en toenemende ongelijkheid. Het idee dat de economische liberalisering van het land ooit tot politieke hervormingen zou kunnen leiden, blijft een verre toekomstdroom. Als de huidige ontwikkelingen doorzetten, maakt het Chinese politieke bestel zelfs meer kans op verval dan op democratisering. Het is waar dat de recente economische prestaties van China de partij een nieuw elan hebben gegeven. Maar juist het beleid waarmee de partij de hoge economische groei tot stand heeft gebracht, verhevigt de politieke en sociale euvelen die haar voortbestaan op de lange termijn in gevaar brengen.

Is het China nu, na een kwart eeuw van geleidelijke economische hervormingen, gelukt om zijn oude commando-economie te transformeren in een echte markteconomie? Lang niet zo goed als de meeste mensen zouden denken. China is weliswaar als een van de eerste socialistische economieën serieus begonnen te hervormen, maar volgens recente gegevens over regulering, internationale handel, financieel beleid en juridische structuur zit China bij het onderste derde part van 127 landen die op hun economische vrijheid zijn onderzocht - achter de meeste Oost-Europese landen, India en Mexico, en achter al zijn Oost-Aziatische buren, op Birma en Vietnam na.

Nog altijd heeft de Chinese staat een sterke greep op de economie. Volgens officiële gegevens over 2003 was de staat direct verantwoordelijk voor 38 procent van het bbp en had hij zo'n 85 miljoen werknemers - ongeveer een derde van de werknemers in de steden. De erkende particuliere sector in stedelijke gebieden telde daarentegen maar 67 miljoen werknemers. Volgens een onderzoeksverslag van de financiële firma UBS neemt de particuliere sector in China niet meer dan 30 procent van de economie voor zijn rekening.

Zelfs voor Azië, met zijn traditioneel grote staatsbemoeiens met de economie, zijn dit verbluffende cijfers. In de meeste Aziatische landen zijn staatsbedrijven goed voor circa 5 procent van het bbp. In India, dat van oudsher geldt als een socialistische economie, produceren staatsbedrijven nog geen 7 procent van het bbp.

De tentakels van de Chinese staat houden de economie nog sterker omkneld dan deze cijfers suggereren. Om te beginnen bezit Peking nog altijd het merendeel van het kapitaal. In 2003 beschikte de staat over 1,2 biljoen dollar (1 biljoen euro) aan aandelenkapitaal, ofwel 56 procent van de vaste industriële activa van het land.

In de tweede plaats heeft de staat, zoals het een in wezen leninistisch regime betaamt, de economische sleutelposities nog altijd vast in handen: hij heeft het monopolie op een dominante positie in de strategische sectoren, waaronder financiële dienstverlening, banken, telecommunicatie, energie, staal, auto's, grondstoffen en transport. Hij beschermt zijn monopoliewinsten in deze sectoren door binnenlandse privé-ondernemingen en buitenlandse bedrijven de toegang tot de markt te ontzeggen.

Ten derde heeft de regering het in de meeste investeringsprojecten voor het zeggen, doordat zij beslist over langlopende bankkredieten en de toewijzing van grondgebruik.

Veel waarnemers menen dat de strakke greep van Peking op de Chinese economie alleen maar betekent dat het hervormingsproces nog niet is afgerond. Naarmate China zich verder openstelt, zo voorspellen zij, zal de greep van de staat verslappen en zullen de krachten van de markt inefficiënte industrieën uit de weg ruimen en schoonmaak houden onder de staatsinstellingen.

Het sterke geloof in geleidelijke maar onstuitbare economische liberalisatie heeft veelal als politiek nevenproduct de overtuiging dat de krachten van de markt uiteindelijk burgerrechten en politiek pluralisme zullen voortbrengen.

Dat is een troostrijke gedachte. Maar in deze rozige visie wordt doorgaans geen rekening gehouden met de behoefte van het neoleninistische regime aan onbelemmerde toegang tot de economische baten.

Er zijn maar weinig autoritaire regimes die met dwang alleen hun macht kunnen handhaven. De meeste hanteren een combinatie van dwang en patronage om zich te verzekeren van de steun van strategisch belangrijke sectoren als de bureaucratie, de strijdkrachten en de zakenbelangen. Anders gezegd: een autoritair regime dat volledige economische liberalisering nastreeft, brengt zijn greep op de politiek in gevaar. De meeste autoritaire regimes weten dat wel, en Peking al helemaal.

Peking staat thans aan het hoofd van een veelomvattend patronagestelsel, dat de trouw van zijn aanhangers waarborgt en begunstigde groepen privileges toekent. De partij benoemt 81 procent van de hoofddirecteuren van staatsbedrijven en 56 procent van alle kopstukken in het bedrijfsleven. De hervormingen in het bedrijfsleven sinds eind jaren negentig - die bedoeld waren om zuivere staatsbedrijven om te zetten in bedrijven met aandeelhouders - hebben aan het patronagestelsel niets veranderd. In grote en middelgrote staatsbedrijven - die schijnbaar waren omgezet in bedrijven met aandeelhouders, waarvan de aandelen soms zelfs op buitenlandse beurzen werden verhandeld - waren in ongeveer de helft van de gevallen de secretaris van de Communistische Partij en de voorzitter van de raad van de bestuur dezelfde persoon. Bij 70 procent van 6.275 grote en middelgrote staatsondernemingen die in 2001 als 'geprivatiseerd' te boek stonden, zaten de leden van het partijcomité in de raad van bestuur. Al met al bekleedden in 2003 (het laatste jaar waarover cijfers beschikbaar zijn) 5,3 miljoen partijfunctionarissen - ongeveer 8 procent van het totale ledental en 16 procent van de leden in de steden - leidinggevende posities in staatsondernemingen.

Een incestueuze relatie tussen de staat en de grote industrieën kan ontwikkelingslanden noodlottig worden, en China loopt op dit punt meer gevaar dan andere landen. De combinatie van een autoritair bewind met een dominante positie van de staat in de economie heeft geresulteerd in een schadelijke vorm van vriendjeskapitalisme, doordat de heersende elites, ten koste van rechtvaardigheid en efficiency, hun politieke macht omzetten in economische rijkdom en privileges.

Frauderende beambten riskeren op dit moment nauwelijks ernstige straffen. In de jaren negentig zijn jaarlijks gemiddeld ongeveer 140.000 partijfunctionarissen bij corruptieschandelen betrapt; van hen is 5,6 procent vervolgd. In 2004 werden 170.850 partijfunctionarissen en -leden verdacht, van wie er slechts 4.915 (dat komt neer op 2,9 procent) zijn vervolgd. De cultuur van de straffeloze ambtenaar bloeit in China.

Erger nog, de corruptie neemt thans vormen aan die je normaal gesproken associeert met een regime in verval.

Gevallen van corruptie waarbij grote aantallen ambtenaren betrokken zijn, waren vroeger een zeldzaamheid. Nu zijn ze wijdverbreid. Uit regionale gegevens valt op te maken dat 30 tot 60 procent van de smeergeldaffaires die de autoriteiten aan het licht brengen, het werk zijn van op grote schaal opererende corruptiesyndicaten. In een paar van de ernstigste gevallen bleken complete provincie-, stedelijke en districtsbesturen vuile handen te hebben. Bij een corruptieschandaal in de provincie Heilongjiang waren meer dan 400 regionale ambtenaren betrokken, onder wie de voormalige gouverneur, het voormalige hoofd van het bureau van het provinciale partijcomité, een vicegouverneur, de hoofdofficier van justitie, de president van het provinciaal hooggerechtshof en 8 van de 13 provinciale partijleiders.

Terwijl de elites snel rijk worden, raken de gewone Chinezen achterop. Volgens schattingen uit diverse bronnen, onder meer van de Wereldbank en de Chinese regering, zou sinds eind jaren zeventig de inkomensongelijkheid met ten minste 50 procent zijn toegenomen, waardoor China nu tot de Aziatische landen met de grootste ongelijkheid behoort.

Essentiële dienstverlening en goed bestuur voor de gewone Chinezen worden slechter. Volgens de Wereldbank behoort China wat bestuurskwaliteit betreft tot de onderste helft van de landen van de wereld. China investeert te weinig in essentiële sociale voorzieningen, speciaal in het onderwijs en de openbare gezondheidszorg. Het aandeel van de overheid in de totale uitgaven voor het onderwijs is in de jaren negentig met bijna 20 procent gedaald. Op het platteland, waar de armste Chinezen wonen, moet 78 procent van het onderwijsbudget via lokale belastingen en andere bijdragen door de boeren worden opgebracht, terwijl Peking aan de fondsen voor het plattelandsonderwijs slechts één procent bijdraagt.

In de gezondheidszorg zijn de gevolgen van verkeerde bestedingen nog ernstiger. De bijdragen van de overheid aan de gezondheidszorg, die in de jaren tachtig nog 36 procent van alle kosten dekten, waren in 2000 gedaald tot minder dan 15 procent.

China beschikt over ziekenhuizen en apparatuur, en het geeft per hoofd van de bevolking meer uit aan gezondheidszorg dan vergelijkbare ontwikkelingslanden. Maar vrijwel nergens anders ter wereld zijn die middelen zó ongelijk verdeeld. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie moet de Chinese gezondheidszorg op het punt van eerlijke verdeling alle andere landen laten voorgaan, op Brazilië en Birma na. Volgens het Chinese ministerie van Gezondheid is tweederde van de bevolking op geen enkele manier tegen medische kosten verzekerd, en doet ongeveer de helft van de zieken geen enkel beroep op professionele medische hulp.

De snelle Chinese economische groei heeft nog niet geleid tot het politieke pluralisme waarnaar velen uitzien. Misschien, zo menen sommige waarnemers, is China nog te arm om zich democratie te kunnen veroorloven. Maar met een inkomen per hoofd van de bevolking van bijna 1.500 dollar (1.250 euro) is China rijker dan heel wat arme democratieën. Het is niet de armoede die de democratie tegenhoudt, het is een neoleninistische staat, en het vriendjeskapitalisme dat deze in de hand werkt.

Deels is de democratie zelfs het slachtoffer geworden van de economische expansie van China. De snelle groei van het land heeft, hoe gebrekkig en slecht geleid ook, de legitimiteit van Peking versterkt en de druk op zijn elites om te liberaliseren verminderd.

Democratische overgangen in ontwikkelingslanden worden vaak teweeggebracht door economische crises die worden geweten aan de onbekwaamheid en het wanbestuur van het ancien régime. Die crisis heeft China nog niet doorgemaakt. Intussen dreigen de rijkdommen waarover de heersende klasse kan beschikken, iedere aanzet vanuit de elite tot democratische hervormingen te smoren. Politieke macht heeft meer waarde gekregen nu die kan worden omgezet in rijkdommen en privileges die in het verleden ondenkbaar waren. Op dit moment heeft de economische groei van China een averechts effect op de democratisering: hij zorgt dat de heersende elite minder dan ooit genegen is afstand te doen van de macht.

Sedert het drama op het Plein van de Hemelse Vrede heeft de partij miljarden gestoken in versterking van de paramilitaire politietroepen (de Bewapende Volkspolitie) die worden ingezet tegen binnenlandse onlusten. Om het gevaar van de informatierevolutie, speciaal van internet, tegen te gaan heeft de Chinese regering een mengeling van technologisch vernuft en strenge regulering in de strijd geworpen. De Chinese 'internetpolitie', die officieel bekendstaat als het Bureau voor Toezicht op Internet en Veiligheid van het ministerie van Openbare Veiligheid, telt naar verluidt meer dan 30.000 medewerkers. De geraffineerde partijstrategie van 'selectieve repressie' neemt alleen de mensen op de korrel die openlijk het gezag tarten, en laat het grote publiek met rust. China is een van de weinige autoritaire landen waar homoseksualiteit en travestie wél zijn toegestaan, maar een afwijkend politiek standpunt niet. Binnenlandse oppositionele groepen en individuen die het gezag van de partij zouden kunnen aanvechten, staan er geïsoleerd en machteloos voor.

Maar de maatschappelijke elite in opkomst wordt ingelijfd en in de watten gelegd. De partij overstelpt de stedelijke intelligentsia, hoogopgeleide zelfstandigen en particuliere ondernemers met extraatjes, eerbewijzen en toegang tot de politiek.

Zo hebben in 2004 in het hele land 145.000 geselecteerde experts - ongeveer 8 procent van de meest vooraanstaande zelfstandigen - 'speciale overheidstoeslagen' (een maandelijkse aanvulling op het salaris) ontvangen. Tienduizenden voormalige docenten zijn tot de partij toegelaten en naar hoge posities bij de overheid gepromoveerd. Voorlopig heeft het charmeoffensief van de partij succes: de sectoren van de maatschappij die gewoonlijk de democratisering dragen, zijn politiek geneutraliseerd.

Het Chinese neoleninistische regime beschikt over formidabele middelen, maar tegen zijn gebreken wegen die niet op. Door de staat geleide investeringen, bedoeld om de politieke loyaliteit van strategische groepen kiezers te verzekeren en individuele carrières te bevorderen, zullen verhinderen dat China zijn economisch potentieel waarmaakt. De corruptie van de staat zal naar alle waarschijnlijk nog toenemen. De verslechtering van de infrastructuur van de openbare gezondheidszorg en het onderwijs zal maatschappelijke spanningen en massale vervreemding teweegbrengen, en zodoende de machtsbasis van de partij aantasten en haar steeds kwetsbaarder maken voor de economische of politieke schokken die onvermijdelijk zullen komen.

China heeft al een hoge prijs betaald voor de gebreken van zijn politieke bestel en de corruptie die dat bestel heeft voortgebracht. Zijn nieuwe leiders zijn zich weliswaar van de ernst van het verval bewust, maar treden er maar in beperkte mate tegen op. Vooralsnog hebben de sterke economische grondslagen van China en de onuitputtelijke energie van het Chinese volk het zwakke bestuur overschaduwd en gecompenseerd, maar dat heeft zijn grenzen.

Binnen afzienbare tijd zal blijken of een zo gebrekkig bestel een beproeving kan doorstaan: een zware economische tegenslag, politieke beroering, een crisis in de gezondheidszorg of een ecologische catastrofe.

China verheft zich, maar of het werkelijk zijn vleugels zal kunnen uitslaan kan niemand zeggen.

Directeur van het Chinaprogramma van de Carnegie Endowment for International Peace. Auteur van 'China's trapped transition: the limits of developmental autocracy'.

    • Minxin Pei