Bloedvergieten

Hadjar Benmiloud (16) ziet in de spiegel een monster dat een paar dagen zal blijven

Wanneer ik een paar uur te laat opsta en in de spiegel kijk, zie ik het meteen; het is vandaag omgekeerde werelddag. Mijn mooie, vertrouwde gezicht is nu ernstig misvormd en komt dichter in de buurt van de 15.999.998 lelijke gezichten in Nederland. Ik probeer mijn blik van de spiegel los te scheuren, maar het lukt niet. Het monster blijft me aanstaren en dus schiet mijn vuist ferm tegen het spiegeloppervlak. De dramatische scherven zijn helaas nergens te bekennen, maar uit een paar grote barsten en een totale afwezigheid van het monster concludeer ik dat het voorlopig buiten westen is. Omdat iedereen weet dat je tegen monsters gemeen mag doen, loop ik - zonder schuldgevoel - sadistisch lachend de geur van verse koffie tegemoet.

Op het aanrecht staat geen kopje. Waar is mijn koffie? Wáár. Is. Verdomme. Mijn. Koffie? Ik zie maar één kopje, en daar drinkt mijn moeder nu uit. Het is vast een misverstand, dus ik glimlach vragend. Mijn moeder glimlacht vragend terug. Ik frons vragend naar de koffie. Mijn moeder fronst verbaasd terug. Ik trek mijn ongeëpileerde wenkbrauw op. Mijn moeder schudt van nee. En opeens heb ik er erg veel moeite mee me voor te stellen dat er een gemenere moeder bestaat dan mijn (heerlijk-geurende-koffie-drinkende) moeder. Verongelijkt vertrek ik naar de douche.

Als ik me aan het afdrogen ben, schrik ik opnieuw van het monster, dat blijkbaar is bijgekomen en nu achter de badkamerspiegel staat. Maar ik ben een optimist: ik ga van de halve dag die ik nog over heb het beste maken. En ik begin met dat gedrocht. Getooid met de mooiste kleertjes, op de hoogste hakjes en met perfect geföhnd haar breng ik mijn make-up op, wat vandaag ongeveer drie kwartier in beslag neemt. En met succes, mag ik wel zeggen: het monster is definitief verdwenen. Opgetogen smeer ik nog wat mascara op mijn wimpers om het af te maken en steek ik het borsteltje frontaal in mijn oog. Het resultaat: zwarte vlekken en lijnen door mijn foundation. Ik wil dood, maar dat ga ik niet. Het is tijd om mijn spreekwoordelijke lat te verlagen: de dag doorkomen zonder bloed is nu goed genoeg. Ik stap op de fiets. Ik heb chocolade nodig.

Fier loop ik het hemelse schap tegemoet, ik ken dit gangpad door en door. Vol verwachting klopt mijn buik. Nog vier stappen (oh BonBonBloc!), nog drie schappen (oh, M&M's!), nog twee stappen (oh, Dove!), nog één schap (ja, oh, oooh, MERCI!). fucking koetjesreep. Ik kan het niet geloven. Ik werd zojuist in mijn stamgangpad geveld door een dikke, drachtige koe. Woest briesend kijkt de koe op me neer. 'Heppie soms geen doppuh, kankaahoewa?' Even woest briesend spring ik op en ga tegenover haar staan. Mijn ogen versmallen zich tot spleetjes en ik doe dreigend een stap in haar richting. The Good, the Bad and the Ugly. Hoewel zij onmiskenbaar meer make-up draagt dan ik nu (een hele prestatie, zeker voor een koe) durf ik er zeker van te zijn dat ik op uiterlijk meer punten scoor. Tel mijn oerinstinct daarbij op en de rolverdeling is duidelijk. Ik kauw op een denkbeeldig strootje en plaats veelbetekenend mijn handen op mijn heupen. Eén woord of loei van de koe, en ik trek mijn revolver. Op de achtergrond speelt spanningsverhogende filmmuziek: 'Ik ga voor Eeeedah'. Ons oogcontact heeft de zes seconden inmiddels ruimschoots gepasseerd, en volgens algemene volkspsychologie zijn vechten of seks nu de enige opties. En inderdaad, het overvalt me. Ik wil haar bevliegen, bijten, haar ogen uitprikken, het bloed uit haal keel zien gutsen, maar ik houd me in. Mijn nieuwe mantra: 'wacht op haar signaal'. Ik sta onder hoogspanning, maar zij verroert zich niet. Dit valt niet vol te houden, nog een paar tellen en er vindt in de Edah een atoomexplosie plaats. Dan komt, uiterst ingenieus vermomd als vakkenvuller, The Good aanlopen, en hij steelt mijn volledige aandacht. Zijn schoonheid valt niet te beschrijven, of wel, maar dat maakt niet uit. We kijken elkaar aan. Langer dan zes seconden. Ik word duizelig en slap, het overvalt me. Ik wil hem bevliegen, kussen, zijn ogen wazig zien worden, het sperma uit zijn lul zien gutsen. Maar hij loopt weer weg. En ook de koe is verdwenen. Trillerig reken ik mijn Milkareep af.

Ik stel vast dat bloedeloos de dag doorkomen niet gaat lukken. Opnieuw verlaag ik mijn lat: dit keer met een dramatische uithaal tot onder het nulpunt. Als ik over vier dagen nog leef, mag dat met recht een bovenmenselijke prestatie worden genoemd. Maar het zal alleen lukken als ik bij het heden blijf.

Hoogste tijd voor een verse tampon.