Begaafde aap

Sociaal leren is de eerste stap naar cultuur, zegt primatoloog Carel van Schaik. En leren begint met samenleven. Orang-oetans op Sumatra leven dicht op elkaar en leren even snel als chimpansees. Sander Voormolen

Foto Sander Voormolen Voormolen, Sander

Orang-oetans werden tot voor kort beschouwd als de minder begaafde neefjes binnen de familie van mensapen. Chimpansees prikken in Afrika met stokjes termieten uit hun hoop en kraken met stenen harde noten open, maar aan orang-oetans leken al die slimmigheden niet besteed. Totdat de Nederlandse primatoloog Carel van Schaik een orang-oetanpopulatie in Suaq Balimbing, West-Sumatra, bezocht en tot zijn verbazing ontdekte dat gereedschapgebruik hier heel gewoon is.

Daar vielen mij de schellen van de ogen', zegt Van Schaik in zijn werkkamer in winters Zürich, waar hij als hoogleraar antropologie aan de universiteit werkt. De orang-oetans van Suaq deden allerlei spannende dingen, die ik daarvoor nog nooit gezien had.' Van Schaik zag de dieren bijvoorbeeld stokjes op maat maken die zij vervolgens gebruikten om de zaden uit de Neesia-vrucht te peuteren. Als de vrucht rijp wordt, barst de houtige schil open. De vrucht bevat voedzame olierijke zaden, maar die zitten ingebed in vlijmscherpe naalden. Dit gereedschapgebruik was nooit eerder gezien. In Gunung Palung op Borneo breken orang-oetans de Neesia-vruchten open om bij de zaden te komen, wist Van Schaik. Dat is omslachtig en kost veel meer kracht.

De cultuur van de orang-oetans in Suaq bleek nog veel rijker, inclusief gereedschapgebruik om honing, mieren en termieten uit boomgaten te snoepen of om water uit diepe boomgaten te halen. Die rijkdom aan cultuur had uiteindelijk een heel simpele verklaring. Dit gebied heeft een enorm hoge dichtheid aan beesten. Ze hebben het er gewoon goed, want er is voedsel in overvloed. Ze kunnen het zich ook permitteren om met elkaar samen te zitten. Vruchtbomen, daar kun je ook met z'n vijven in. Ook heel belangrijk is dat mannetjes en vrouwtjes bij elkaar komen. De populatie van Suaq Balimbing heeft heel veel mogelijkheden voor sociaal contact, heel anders dan wat je normaal bij orang-oetans ziet.'

Van Schaik legde al snel het verband: Als ik drie dingen zie die heel sterk verschillen van een andere populatie dan hangen die drie misschien samen. Enorm veel werktuiggebruik, heel veel tijd samen en een hoge tolerantie. De orang-oetans van Suaq zijn heel vriendelijk tegen elkaar. Ze zitten bovenop elkaar, zonder dat het de bedoeling is te bedelen. Jonge dieren blijven gewoon de hele tijd toekijken bij niet-verwante volwassenen. Dat soort tolerantie ten opzichte van de buurkinderen is heel opvallend.'

Van Schaik concludeerde dat cultuur gedijt in gebieden waar veel sociaal contact is. Op plaatsen waar dieren heel veel tijd samen doorbrengen, zien we ook de meest complexe innovaties. Hiermee hebben we dus een aanknopingspunt voor de evolutie van intelligentie. Altijd is het een grote vraag geweest: waarom worden beesten slim? Hersenen zijn immers verschrikkelijk duur. Bij mensenbaby's gaat tachtig procent van de energie naar de hersenen. Dat is belachelijk natuurlijk. En zelfs bij volwassenen gaat er nog twintig procent van de energie naar de hersenen. Bij volwassen chimpansees is het tien procent. Dan moeten die hersenen ons dus iets heel erg belangrijks teruggeven, anders kan dat nooit optellen.'

De toevallige ontdekking van orang-oetancultuur in Suaq inspireerde Van Schaik om een congres van orang-oetanonderzoekers te organiseren en om alle ervaringen op een rij te zetten. Dat resulteerde in een lange lijst culturele elementen van orang-oetans (gepubliceerd in Science, 3 januari 2003). Overal bleken subtiele verschillen in gebruiken te bestaan tussen de diverse orang-oetanpopulaties. Daarmee hoort de Aziatische mensaap definitief bij de cultuurclub. Van Schaik beschrijft het in een persoonlijk verslag in het boek Among orangutans (besproken in NRC Handelsblad, 13 mei 2005). Zes jaar kon Van Schaik onderzoek doen in Suaq Balimbing, totdat hij in september 1999 moest vertrekken vanwege de toenemend gewelddadige onafhankelijkheidsstrijd in Atjeh.

De orang-oetan wordt bedreigd met uitsterven. Hoe ernstig is de toestand?

Er is nu een nieuwe Indonesische regering. En ik krijg de indruk dat deze ernst maakt met het bestrijden van de illegale houtkap. Die was na de val van Soeharto in '98 wel heel dramatisch toegenomen. Het was echt een epidemie. Dat was ook te begrijpen, want er was geen centraal gezag meer. Maar je merkte na een aantal jaren dat mensen er moe van werden. Iedereen zag dat de hoeveelheid exploitabel bos hard achteruitging. En het land verdiende er niets aan, want over illegale hout wordt geen belasting betaald. De nieuwe regering van president Susilo Bambang Yudhoyono pakt de illegale houtkap aan. Toch is de situatie op Sumatra nog steeds heel triest. Een paar jaar geleden dachten we dat er nog wat orang-oetans in centraal- en zuid-Sumatra waren, maar dat blijkt niet zo te zijn. Ze zitten alleen nog in een randje langs de westkust en in Atjeh. En iedereen weet dat daar de afgelopen jaren een burgeroorlog woedde.

Op Borneo zitten juist veel meer orang-oetans dan we vroeger dachten. Schattingen van de populatieomvang waren om begrijpelijke reden altijd conservatief. In 2003 hebben we overal systematisch teams heengestuurd en die hebben nog heel wat ontdekt. De curve ligt daardoor wat hoger, maar hij gaat nog net zo hard naar beneden als daarvoor. Het betekent dat we het nu een decennium of twee kunnen uitstellen voordat we de nul-as bereiken. Maar we zijn over het algemeen iets minder pessimistisch dan een paar jaar terug.'

Wat zijn de voornaamste oorzaken van de achteruitgang van de orang-oetan?

Het antwoord is op verschillende plaatsen anders. Op Sumatra, waar jacht eigenlijk geen punt is, speelt verlies aan leefgebied waarschijnlijk een hoofdrol. Op Borneo ligt dat anders, daar heb je plaatsen waar heel veel gejaagd is, zelfs zoveel dat orang-oetans er niet meer voorkomen. Daar hangt de meeste jacht samen met houtkap. Er wordt in feite alleen gejaagd op beesten wier habitat aan het verdwijnen is. Zeker waar oliepalmplantages komen, zie je in de laatste bomen nog een heleboel beesten zitten.'

En de handel in jonge orang-oetans die verkocht worden als huisdier?

Dat is een probleem, maar ik geloof niet dat het de primaire factor is. Er zijn relatief weinig plaatsen waar mensen doelbewust het bos inlopen om orang-oetanbaby's te vangen. Als je het houtkapprobleem oplost, heb je de andere problemen ook grotendeels opgelost.'

Hoe ontstaat cultuur?

Cultuur definieer ik als sociaal overgedragen informatie, vaardigheden, kennis. Uiteindelijk is de bron van alle cultuur innovatie: nieuwe vaardigheden of nieuwe kennis die beesten hebben uitgevonden. Die worden aan anderen doorgegeven. Dat begint bij opgroeiende kinderen die allerlei dingen van hun ouders leren. Orang-oetans hebben dat in extreme mate. Hun kinderen zitten jarenlang, dag in dag uit, letterlijk bij hun moeder op schoot, en houden precies in de gaten wat zij allemaal doet.

Vervolgens breidt het afkijken zich uit naar andere oudere dieren. Een individu dat opgroeit in zo'n populatie leert dus in feite alle lokale vaardigheden. Dat is een mooi systeem. Op het moment dat die aangeleerde trucjes heel belangrijk worden voor de eigen overleving en het aantal nakomelingen, raakt het systeem gestabiliseerd en wordt het verbeterd en versterkt. Uiteindelijk kunnen volwassenen ook tolerant worden ten opzichte van elkaar en bij elkaar afkijken. En dan krijg je dus cultuur die zich veel verder kan uitbreiden.

Dat zien we bij mensapen, een klein beetje bij gewone apen en dolfijnen en waarschijnlijk ook bij vogels. De wortels van cultuur liggen in lang contact tussen kind en moeder. En tussen ouders en kinderen in het algemeen.'

Waarom heeft het zo lang geduurd voordat cultuur bij orang-oetans werd ontdekt?

Ik denk dat wij als onderzoekers gevangen zaten in onze paradigma's. Cultuur valt pas op als er verschillen zijn tussen gebieden. Bij mensen is dat heel vanzelfsprekend, maar bij dieren denk je in eerste instantie aan genetische oorzaken, een interactie tussen genen en lokale omstandigheden.

Bovendien, mensapen blijven lang op één plaats. In geuren en kleuren kennen ze alle details van die ene populatie. Maar ze gaan niet uitgebreid bij de buurman kijken, waarom zouden ze? Op het moment dat ze dat wel doen, zien ze ineens dat de dieren daar andere dingen doen.'

Hoe verhoudt het niveau van orang-oetancultuur zich tot dat van chimpansees? Is daar enige orde in aan te geven?

Jawel. Chimpansees zitten iets meer bij elkaar dan orang-oetans, dat is bekend. Chimps komen ook iets verder in hun cultuur, daar zie je net iets complexere innovaties met ook iets meer variatie. Maar dat is het gerealiseerde niveau. De potentie van chimps en orang-oetans is vergelijkbaar. In dierentuinen blijken orang-oetans minstens zo handig als chimpen. En in een meta-analyse van formele psychologische tests met deze dieren, scoren orang-oetans net iets beter. Met andere woorden: orang-oetans lijken in het veld iets minder slim dan chimpen omdat ze minder samenleven.'

Wat betekent het orang-oetanonderzoek voor uw gedachten over de mens?

Dat orang-oetans en chimpansees praktisch identieke cultuurverschijnselen vertonen, betekent voor mij dat het vermogen tot cultuur universeel is bij mensapen. Dus wij mensen bouwen op een stevig fundament. Zo bezien is het niet zo mysterieus dat er juist onder mensapen een geavanceerde menselijke cultuur is ontstaan.

We weten nu hoe cultuur en intelligentie werken en hoe die twee elkaar beïnvloeden. Wat je nodig hebt, is een situatie waarin je heel veel samen bent op een heel tolerante manier, bijvoorbeeld omdat je je voedsel moet delen. Je moet allerlei stimulansen hebben om slimme dingen te bedenken. Homo erectus of Homo ergaster ontwikkelden zich tot savannebewoners, waarna ze voor het eerst grote dieren begonnen te eten. Die moesten ze samen vangen en verwerken en ze moesten zich samen verdedigen tegen grote roofdieren. Op dat moment komt de technologie om de hoek, intensieve samenwerking, veel mogelijkheden om sociaal te leren. Je kunt dan een sneeuwbaleffect krijgen waardoor op zeker moment de ontsnappingssnelheid groot genoeg is.

De overstap naar vlees eten betekende dat Homo erectus beter met seizoensveranderingen kon omgaan. Zo konden lichaam en hersenen beide groter worden. Dat verklaart misschien waarom die sneeuwbal ging rollen. Je moet al die ingrediënten hebben, en voor zover we weten zijn die nooit allemaal tegelijk samengekomen in andere soorten. Dit is natuurlijk een post hoc-verhaal, maar dat zijn alle reconstructies. Het strookt met alle bekende feiten, maar je kunt het nooit bewijzen.'

Wat is er over van de Nederlandse primatologie? De belangrijkste primatologen, Frans de Waal en u, werken in het buitenland.

Frans de Waal en ik komen beide uit de Utrechtse groep van Jan van Hooff, die onlangs met emeritaat is gegaan. In hun wijsheid hebben de Utrechtse biologen besloten een andere richting in te slaan ten koste van de primatologie. Het lijkt op het oude verhaal van ethologie en vergelijkende psychologie. Dat waren verschillende onderzoekstradities en die bleken lastig te combineren. Als je dat toch probeert, zoals Frans de Waal en ik, val je een beetje tussen wal en schip. Ik ben nu antropoloog en Frans de Waal opereert onder psychologen. Maar uiteindelijk zijn tussen de wal en het schip de spannendste dingen te vinden!'