Spook in eigen woordenboek in eigen woordenboek

De achttiende-eeuwse Britse lexicograaf Samuel Johnson werd beroemd met zijn “Dictionary of the English Language', het woordenboek aller woordenboeken. Benno Barnard bezocht zijn Londense huis en bekeek “het toegangskaartje tot de Engelse Verlichting.“

Samuel Johnson (links) en James Boswell discussiëren in de Mitre Tavern met twee jonge vrouwen over het Methodisme. Volgens Boswells “Life of Dr. Johnson' nam Johnson na een half uur een van de vrouwen op zijn knie, “and fondled her for half an hour'. Waterverfschilderij van Dante Gabriel Rossetti, 1861 SAMUEL JOHNSON (1709-1784). English man of letters. Dr Johnson and Boswell at The Mitre. Watercolor, c1861, by Dante Gabriel Rossetti (1828-1882). Ullstein bild

In 1748 verhuisde Samuel Johnson naar 17 Gough Square, omdat het boek dat hem onsterfelijk zou maken, A Dictionary of the English Language, in de onmiddellijke nabijheid van dat Londense adres gedrukt werd. Het heeft wel iets ontroerends, een schrijver die zich neervlijt naast de schoot die zijn kind moet baren.

Maar het eigenlijke schrijven van een woordenboek was minder romantisch, hoewel het op zolder plaatsvond: het vergde behalve het brein van Johnson zelf ook de noeste vlijt van zes amanuenses - tezamen vormden deze onderling geschakelde pennenlikkers zoveel als zijn Windows 1748. Vijf van hen waren Schotten, wat me des te eigenaardiger voorkomt omdat zijn biograaf James Boswell ook een Schot was en Johnson niet van het Pictendom hield. Toen een boekhandelaar de tweeëntwintigjarige Boswell in 1763 aan de lexicograaf voorstelde, met de mededeling dat de jongeman uit Schotland afkomstig was, en Boswell piepte dat hij dat ook niet helpen kon, klonk het van de Olympus: “Dat, meneer, is iets, vind ik, wat een groot aantal van uw landgenoten niet kan helpen.“

Ik moet bekennen dat ik dit soort schaamteloosheid erg aantrekkelijk vind, net als de rest van Johnson trouwens. Deze rare man, deze almaar kwinkslagen grommende reus, met zijn bijziendheid, zenuwtrekjes, melancholie en sarcasme, lijkt nog het meest op een personage uit een boek dat Roald Dahl jammer genoeg nooit geschreven heeft.

Johnsons huis-thans-museum in Londen is een monument voor de Engelse taal. Het is doortrokken van het soort ironische plechtstatigheid waar de Fransen maar niet in slagen. Ik word er ontvangen door een kwiek oud dametje, dat mij zelf uit laat rekenen hoeveel mijn prentbriefkaarten kosten, en ondertussen over haar ervaringen als au pair in het Duitsland van 1938 vertelt. Ja, deze cultuur is bezeten van de biografie, niet alleen als literair genre maar ook als levensfilosofie, als methode om de enkeling af te bakenen tegenover de geschiedenis - het kalmeren van de voortrazende tijd is een oude Britse obsessie.

Een beetje biograaf wordt in dit land zelf ook weer het onderwerp van een biografie, A Life zoals dat in de twintigste eeuw is gaan heten, want je hebt zoveel levens geleid als je biografen krijgt. Typerend genoeg noemde Boswell, gekweekt uit het presbyteriaanse protestantisme en de Verlichting, twee overtuigingen waarin het leven nog enkelvoudig was, zijn boek gewoon The Life of Samuel Johnson, LL.D., leven met een bepaald lidwoord dus; al raakte het later bekend als Boswell's Life of Johnson.

Elke johnsonist is uit de aard van zijn aandoening tevens een boswelliaan. Hoe kun je nu ook niet van Boswell houden, die ons Boswell in Holland 1763-1764 naliet en het plezier deed van een briefje in het Nederlands, gedateerd 2 januari 1764? Het is gericht aan zijn vriend Stewart en begint zo: “Mijn Heer en Vrind, Ik heb niet mar en cleyn Beytie Hollans, en Ik heb niet een Dictionarie myn te helpen; mar Ik heb een groot lust in dat taal te schryven, en Ik sal het probeeren.“

Johnson leefde van 1709 tot 1784. Hij bezocht de Grammar School van zijn geboortestad Lichfield, waar zijn vader boekhandelaar was. De universiteit maakte hij uit geldnood niet af, hoewel hij op zijn achttiende al krankzinnig erudiet was. Dat hij de geschiedenis inging als Doctor Johnson was te danken aan Trinity College in Dublin, dat hem in 1865 een eredoctoraat verleende. Op zijn twintigste las hij William Laws Serious Call to a Devout and Holy Life en raakte geobsedeerd door angst voor de dood en het Laatste Oordeel, wat maar weer eens bewijst dat men ook te veel kan lezen. In die tijd begonnen de vreemde convulsies van zijn gelaat; vanaf toen verborg een sublieme geestigheid een peilloze somberheid. Hij werd een verlichte middeleeuwer. Diep onder die pruik kronkelden zijn formidabele hersens weg in de concentrische hel van Dante.

Uit Johnsons nalatenschap stamt een autobiografische schets, bestemd voor verbranding, maar uit de vlammen gered door zijn dienaar. Het verslag loopt tot zijn elfde levensjaar. Er staan dingen in als: “Ik herinner me dat ik op een morgen, bij mijn moeder in bed, van haar hoorde over de twee plaatsen waar de bewoners van deze wereld na hun dood werden ontvangen; de ene was een heerlijke plaats vol geluk, die Hemel heette; de andere een droeve plaats, die Hel heette.“ Over het geheel genomen is dit proza als koude as, zonder een sprank van het intellectuele vuur in de Dictionary: een grote teleurstelling voor de johnsonist.

Aangezien het potsierlijk is om een zo belangwekkend leven, dat alleen al bij Boswell zes delen vult, in enkele schamele zinnen samen te willen vatten, laat ik die poging hier verder achterwege. Per Mariam ad Jesum: men komt tot Johnson door Boswell, die niet eens de eerste biograaf was (dat was Sir John Hawkins), maar wel degene die Johnson in zijn tijd plaatst, tussen de illustere leden van de door hem gestichte Literary Club, van Oliver Goldsmith tot Edmund Burke. En Sir Joshua Reynolds niet te vergeten, die Johnson meer dan eens portretteerde als een kolos met bolle ogen, waarvan een blauw en een bruin, dikke lippen, een enorme neus en een schaapsvacht op zijn kruin.

Het Woordenboek verscheen in 1755. Johnson was er zeven jaar mee bezig geweest. Tot de vele wonderlijke details ervan behoort het lemma lexicographer: “A writer of dictionaries; a harmless drudge, that busies himself in tracing the original, and detailing the signification of words.'

Is het niet ontzettend geestig om jezelf als auteur van een woordenboek in datzelfde woordenboek een “ongevaarlijke sloof' te noemen? Tegelijk is het tweehonderdvijftig jaar later een nogal duizelingwekkend idee om in je dooie eentje - zij het dan met zes op jouw verstand aangesloten hulpbreinen - een volledige taal te gaan zitten definiëren. Juist doordat het geen fictie is, is het zo fictie-achtig, want je bedenkt per definitie ieder woord opnieuw, en gaande die bezigheid bedenk je dus ook de wereld opnieuw, of toch minstens Engeland, en dat was onder George II al een aanzienlijk stuk van de wereld.

Is Johnsons Dictionary alles welbeschouwd geen semantisch-filosofisch-semiotische onderneming, een doolhof van een project, twee eeuwen te vroeg geheel in de geest van Borges, Calvino en Eco? Die pij maakt weliswaar nog geen monnik van hem; maar in het Woordenboek gaat een man uit de rococo een verhouding met de wereld aan die moderner is dan modern.

Dat heb ik nu wel intelligent bedacht, maar zo hooggestemd was (of deed) Johnson er beslist niet over. “Enkel een halvegare heeft ooit voor iets anders dan geld geschreven“, luidt een van zijn door Boswell overgeleverde uitspraken. Maar hij schreef dan ook jarenlang in bittere armoede - in 1756 werd hij nota bene gearresteerd wegens een schuld van 5 pond en 18 shilling. De term Grub Street, voor inferieure broodschrijvers, is door hem voor het eerst lexicografisch bijgezet (zij het als grubstreet).

17 Gough Square is een ouderwets museum. Het is vooral een verzameling meubelen, snuisterijen en boeken. In een vitrine zijn de gebruikelijke relikwieën bij elkaar gelegd, de restjes fysieke Johnson: de handtekening, de lok grijs haar, waar niet bij staat of die uit zijn pruik is geknipt, de ademtocht Maar laat ik het over woorden hebben.

Het integrale Woordenboek is niet leverbaar. Ik ben al blij dat er een paar uitgaven met capita selecta bestaan, bijvoorbeeld Samuel Johnson's Dictionary, Selections from the 1755 work that defined the English language, bezorgd door Jack Lynch (Atlantic Books, 2004). Dat kost twintig pond, wat niet veel is voor een toegangskaartje tot de Engelse Verlichting. Als begeleidende lectuur is het in alfabetvorm geschreven essay Dr Johnson's Dictionary, The Extraordinary Story of the Book that Defined the World van Henry Hitchings erg aan te bevelen. Maar er is zoveel meer. Het Woordenboek heeft een bibliotheek gebaard, de berg een gebergte. En dan zwijg ik nog enigszins ontzet van de 12.200.000 referenties waar Google naar verwijst.

Zou Johnson vergeten zijn zonder

zijn Dictionary?

Hij koesterde wel degelijk een literair eeuwigheidsverlangen, zijn grote mond over geld ten spijt, maar het betrekkelijk kleine corpus van zijn Engelse verzen (hij dichtte ook in het Latijn) maakt een nogal gekunstelde indruk, typerend voor veel poëzie uit de tijd van de Rede. Volgens T.S. Eliot behoort zijn naar Juvenalis gemodelleerde satire “London: A Poem' (uit 1738) tot het beste in dat genre, maar voor een ontijdig geborene als ik valt er maar weinig plezier aan te beleven; in mijn editie van The Complete English Poems (Penguin, 1971) wordt de lezer niet voor niets onder tientallen voetnoten bedolven door de ijverige Tutorial Fellow J.D. Fleeman uit Oxford - die overigens de goede smaak heeft om voortdurend de Dictionary te citeren, zodat we in elk geval in Johnsons eigen oor kunnen kruipen.

Maar de Johnson met wie we geschiedenis delen, ergens in sectie 1755-2006 van het Brits ruimte-tijdcontinuüm, ontmoeten we eerder in zijn gelegenheidsgedichten, die veelal een soort bon mots op rijm zijn, zoals het gedicht “To Mrs Thrale on her Thirty-fifth Birthday', waarover de dichter tegen de jarige opmerkte dat ze kon zien wat er gebeurde als de poëzie een woordenboekmaker tegenkwam, want dan raakten de rijmen alfabetisch gerangschikt:

Oft in Danger yet alive

We are come to Thirty-five

Long may better years arrive,

Better Years than Thirty-five;

en zo verder, via contrive, drive tot en met

And those who wisely wish to wive,

Must look on Thrale at Thirty-five.

Dit rijm dateert van 1777. Er is een rechtstreekse connectie met 1927, toen A.A. Milne zijn kinderversjes verzamelde in Now We Are Six. In onze oren klinkt dat eigenaardig, maar het heet traditie.

En dan is er The Lives of the English Poets (1779-1791), Johnsons belangrijkste boek buiten de Dictionary. Ik kan het hier onmogelijk samenvatten, al was het maar omdat ik het slechts ten dele gelezen heb - in elk geval betoogt hij erin dat leven en werk met elkaar verbonden zijn waar ze met elkaar verbonden zijn, wat voor mij het belang van “biografie' wel afdoende verduidelijkt.

Ik herhaal: zou hij zonder het Woordenboek vergeten zijn?

Tegenover Boswell merkte Johnson op: “Of ik met mijn geschriften iets zal hebben toegevoegd aan de reputatie van de Engelse literatuur moet aan de tijd worden overgelaten“ Was dat de koketterie van de gevierde auteur? Of werd hij echt door onzekerheid gekweld? Ik vind James Boswell een groter schrijver dan Samuel Johnson. Maar ik sta hier niet als Paris met een appel in mijn hand. En onmiskenbaar is het Woordenboek er wel.

Op de zolder in Londen waar het is gemaakt - en die de Blitz heeft overleefd, zij het half verkoold - buig ik me over een facsimile, maar ik kan niet zien wanneer die is verschenen, want het is nu eenmaal een facsimile, een reusachtige fax uit het jaar MDCCLV. De twee delen bevatten 42.773 woorden. De eerste druk bedroeg tweeduizend exemplaren. Prijs: 4 pond 10 s. 0 d., een maandloon voor de minder geschoolde. (Johnson zelf ontving 1.575 pond voor de zeven jaar van zijn leven die hij erin gestopt had, maar daar moesten ook de zes amanuenses van betaald worden.)

Shakespeare moest het nog zonder woordenboek stellen, maar na 1600 verschenen er tientallen, dikwijls volgepropt met zogenoemde inkhorn terms, inktpotwoorden, studeerkamertaal, meestal Latijnse en Griekse woorden met Engelse suffixen die geen hond kende. Johnson compileerde niet het eerste woordenboek van zijn moedertaal, maar legde wel als eerste het accent op de woorden die de beste Engelse schrijvers ook werkelijk gebruikten. Hij was de uitvinder van het illustrerende citaat: het Woordenboek telt er gemiddeld bijna 2,5 per woord. De romantici waren dol op het boek. Robert Browning las het van kaft tot kaft eer hij zichzelf “dichter' durfde te noemen; Wordsworth, Keats, Shelley en de gezusters Brontë zwoeren erbij. Tot 1928, het jaar waarin de Oxford English Dictionary werd voltooid, met tien keer zoveel lemmata, en de moderne lexicografie de grote Johnson verzwolg, was dit het standaardwoordenboek in ieder enigszins geciviliseerd huishouden.

Ik blader erin, wat een heel karwei is, want de maten corresponderen met die van Johnson zelf. Het eerste woord is ABA'CKE, wat “backwards' betekent, maar ook in Johnsons tijd al verouderd was; er hoort een citaat van Spenser bij. Het laatste woord is ZOO'TOMY, “dissection of the bodies of beasts'. Sommige definities en etymologieën zijn slordig of komisch of absurd, vele archaïsch. Ook in 1928 moet “belly-timber, i.e. food; materials to support the belly' de gebruiker al wonderlijk zijn voorgekomen. Over het woord “spider' fantaseert de geleerde dat dit misschien van “spy dor, the insect that watches the dor' stamt (dor is bromvlieg).

Wat heb je nu aan zo'n woordenboek?

Ontzettend veel. Gooi nooit je oude woordenboeken weg. Je vindt er “dizzard' in, dwaas of sufferd, wat niet in de Van Dale Engels-Nederlands staat, maar toevallig wel in de historische roman die ik net aan het lezen ben. Juist de gestaag toenemende gedateerdheid is gestaag toenemende winst. Wie zich verdiept, nee verliest in Johnson zit op een dag ergens halverwege de achttiende eeuw de krant te lezen. De industriële revolutie is al begonnen. Het Empire breidt zich steeds verder uit. Ben Franklin experimenteert met electricity: “the industry of the present age () has discovered in electricity a multitude of philosophical wonders.' Zo'n lemma gaat over de verbazing van de oude wereld. Met dat blauwe en dat bruine oog van hem ziet Johnson het ontwaken van de technologie, in het geheel niet beseffend wat de wereld te wachten staat.

Ondertussen spreek je over de schrijver van het Woordenboek en niet de samensteller, wat impliceert dat jij de lezer ervan bent en niet de gebruiker. Johnson spookt dan ook als “ik' in zijn eigen Woordenboek rond, zodat jij ook weer ik mag worden. Dat is heerlijk: je bent consument af, je kunt je ongestoord verdiepen in zijn hersenkronkels en dat zijn er talloze. Ongetwijfeld is zijn subjectiviteit verwerpelijk, maar o verrukking van een Dictionarie die ook een “Beytie' een neurotische autobiografie is.

Wat de Encyclopédie was voor de Fransen, was de Dictionary voor de Engelsen. Maar zomin als ik me de sfeer in dat verlichte Frankrijk van Diderot en d'Alembert echt voor kan stellen, slaag ik erin de geest van Johnsons Engeland volledig te doorgronden. Of die van Johnson zelf. “Hij sprak gunstig over zijn eigen tijdvak en verdedigde de stelling dat het in ieder opzicht superieur was“, aldus Boswell. Maar Johnson was ook een overgangsfiguur, die met een vreemde onverlichte koppigheid in het sadisme van de eerwaarde William Law bleef geloven. Boswell boekstaaft een conversatie met zijn oude vriend en studiegenoot Dr William Adams, die te verbazingwekkend is om er hier niet uit te citeren:

JOHNSON. “Aangezien ik er niet zeker van kan zijn dat ik aan de voorwaarden heb voldaan die mij verlossing vergunnen, ben ik bang dat ik misschien een van de verdoemden ben.“ (ziet er troosteloos uit.)

ADAMS. “Wat bedoelt u met verdoemd?“

JOHNSON (hartstochtelijk en luidkeels). “Naar de Hel gestuurd, Mijnheer, en voor eeuwig gestraft.“

Maar je kon natuurlijk ook naar de hemel opstijgen; aan het eind van Johnsons leven kon dat zelfs letterlijk. In september 1784 vierde de Vooruitgang een nieuwe triomf: de Italiaan Vincenzo Lunardi maakte als eerste in Engeland een reis in een heteluchtballon. Daarover merkte de doctor dit op: “We kennen thans een methode om op te stijgen in de lucht, en het is, denk ik, niet waarschijnljk dat onze kennis nog toeneemt Ik zou nu liever een medicijn vinden dat astma kan verlichten.'

Drie maanden later ontving Westminster Abbey de definitieve Johnson, een Johnson zonder woorden.