Samen de andere kant op

In een serie over heruitgegeven klassieken deze week “Kim' van Rudyard Kipling (uit het Engels vertaald door Boukje Verheij, Athenaeum - Polak & Van Gennep, 340 blz. euro 19,95)

Rudyard Kipling Foto AP This is an undated handout photo of British writer Rudyard Kipling in the library of his home in Dummerston, Vt. in the late 1800's. Kipling wrote some of his most famous works during his four-year stay in Vermont. (AP Photo) Associated Press

Kim (1901) is de roman die altijd wordt ingebracht tegen lezers die Rudyard Kipling (1865-1936) als een onverbeterlijk imperialist en racist beschouwen: als Kipling echt zo erg was, kon hij nooit zo'n aandoenlijk boek geschreven hebben over een Iers jongetje dat in het India onder de Britten alle grenzen, geografische, maar ook sociale en raciale, overschrijdt; een boek dat bovendien tot in iedere vezel doordrongen is van een diepe liefde voor India zelf, voor de eindeloze, onbevattelijke verscheidenheid van het land en haar bewoners. Kim is een jeugdboek voor volwassenen, het raakt zonder schaamte aan gevoelens die je later niet meer zonder voorbehoud of ironie durft uit te spreken, zoals het verlangen naar onschuld en het goede. Het is een roman vol verwondering over de wereld, een roman vol sentiment die niet sentimenteel wordt - vandaar dat de fans van Kiplings meesterwerk vochtige ogen krijgen wanneer je in hun gezelschap de titel van hun lievelingsboek laat vallen.

Kim is een Iers weeskind, geboren in India, en in staat iedere gewenste identiteit aan te nemen; hij is een sahib, maar voelt zich niet zo. Hij heeft geen zelfbeeld: “Wie is Kim wie is Kim?“ Op een plein in Lahore, voor het museum van Volkenkunde, ontmoet hij een oude Tibetaanse geestelijke, een lama, die op zoek in naar de rivier die ontsproten is aan de pijl die de Boeddha heeft afgeschoten. In het water van die rivier zal de krakkemikkige lama verlost worden van alles wat hem aan deze wereld kluistert. Het weeskind Kim laat zich tot zijn discipel maken, zijn chela - en tijdens hun lange tochten door Noord-India, verbluffend beeldend beschreven in Kiplings elliptische stijl, volgt Kim zijn eigen zoektocht, die naar zijn identiteit. Hij raakt betrokken bij The Great Game, het eeuwigdurende spionagespel dat de grootmachten in de regio spelen, de Engelsen zien in hem een formidabele spion in spe.

De toon van de roman is komisch; de vriendschap tussen jongen en oude man, discipel en leermeester, wordt getekend door misverstanden; Kim is eindeloos moedig en behendig, maar mist ervaring, de vergeestelijkte Tibetaanse monnik laat de wereld grotendeels verstrooid aan zich voorbij gaan. We bevinden ons in het humane universum van Don Quichot, waar het kwaad ons omringt, maar ons niet kan raken, waar ziekte en dood wel degelijk bestaan, maar onze levens niet tragisch kunnen maken. Kim en zijn lama worden verbonden door een grote, instinctieve liefde, maar tegelijk gaan ze ieder hun eigen weg - de lama van de wereld af, Kim naar de wereld toe.

Die twee tegengestelde bewegingen, de spirituele zoektocht van de oude Tibetaanse monnik en Kims initiatie in de gevaarlijke wereld van politieke machinaties en spionage, hebben voor verwarring gezorgd. Waar gáát Kim nu eigenlijk over? Critici hebben onderstreept dat de roman niet zozeer idylle is als wel een Bildungsroman - het volwassen leven van de jongen Kim zal zich volgens hen volledig binnen de grenzen van de Engelse koloniale identiteit afspelen, met de volledige instemming van de autoritaire Kilping zelf. De Palestijnse-Amerikaanse cultuurcriticus Edward Said heeft geprobeerd Kim te ontmaskeren als een imperialistische roman; net als bij een andere favoriete auteur van hem, Joseph Conrad, voelt hij zich in het geval van Kipling verplicht zijn eigen enthousiasme verdacht te maken, uit schuldgevoel jegens de gekoloniseerde volkeren en hun hedendaagse nakomelingen. Het blanke jongetje Kim kan alle grenzen zo gemakkelijk overgaan, stelt Said, juist omdat ze onwrikbaar vaststaan; Kipling kan zich geen India zonder Engelsen voorstellen.

Dat wás ook Kiplings oprechte overtuiging: hij zag het Engelse imperialisme als een moreel hoogstaande beschavingsmissie, die verstoord werd door warhoofdige inlanders die dachten het alleen af te kunnen en dromerige, liberale Engelsen. In het mooie verhaal “Op de stadsmuur', dat samen met de klassieke grootheidswaanparabel “De man die koning wilde worden' tegelijkertijd met Kim in een Nederlandse vertaling is verschenen, brengt Kipling zijn boodschap op de wereldwijze, aan cynisme grenzende toon die zijn vroege verhalen kenmerkt: India “zal nooit op eigen benen staan, maar het in een aanlokkelijke gedachte. Mensen zijn bereid ervoor te sterven en jaar na jaar zwoegt men voort om de inwoners door drang en overreding, berisping en vleierij tot braaf burgerschap te brengen. Wordt er vooruitgang geboekt, dan wordt de inlander alle krediet toegeschoven, terwijl de Engelsen naar de achtergrond treden en zich het zweet van het voorhoofd wissen. Loopt er iets verkeerd, dan doen de Engelsen een stap naar voren en nemen de schuld op zich. Door deze al te zachtzinnige aanpak is een groot aantal inlanders ervan overtuigd geraakt dat zijzelf uitstekend in staat zijn het land te besturen.'

Dit is niet de toon van Kim, dat ook in het Nederlands van Boukje Verheij onweerstaanbaar blijft. Ook in deze roman staan genoeg stelligheden over de aard van de oosterling en de Aziatische wereld zoals die nu eenmaal is. En anders dan Edward Said schijnt te denken, suggereert Kipling nergens dat er geen reusachtige verschillen tussen groepen mensen bestaan. Integendeel, in Kim onderneemt iedereen zijn eigen zoektocht; ieder personage houdt er een specifieke identiteit op na, een ander geloof, een andere sociale klasse, een andere achtergrond.

Maar de blijvende aantrekkingskracht van Kim schuilt erin dat al die verschillende wereldbeelden goedertierenheid niet hoeven uit te sluiten, dat individuen in staat zijn zich met elkaar verbonden te voelen over de afgebakende grenzen van hun identiteit heen. Dat is het wonder van Kim - het verklaart al die vochtige ogen. Kim en zijn lama trekken samen op, verbonden door hun liefde voor elkaar, ook al bewegen ze zich geestelijk in tegengestelde richtingen.

Het individu is in staat de groep te overstijgen. Voor de schrijver Kipling is het symbool van die kracht India, het India dat hem als kind de ultieme vrijheid én verbondenheid schonk. In Kim vallen ze samen. Rudyard Kipling: Op de stadsmuur & De man die koning wilde worden. Uit het Engels vertaald door Sander Hendriks. Gianotten, 128 blz. Prijs: 19,90