Roze bril (2)

Hans den Hartog Jager lijkt zich aan de zijde van de reactionairen te bevinden als hij beweert dat na de conceptuele wandelingen van Stanley Brouwn in de jaren zestig geen beeldje meer gekleid of doekje gepenseeld kan worden (Cultureel Supplement, 17 februari). Ook ontpopt hij zich als een populist wanneer hij stelt dat de beeldende kunst geen band meer heeft met de maatschappij.

Wanneer men in een aantal karikaturale schetsen de oeuvres van kunstenaars neerzet is het eenvoudig een vooropgestelde mening te verkondigen. Door, zoals Den Hartog Jager doet, aan de hand van de werken van één groep kunstenaars het werk van anderen te diskwalificeren en te kenmerken als goedbedoelde wereldverbeteringen, wordt de totale, complexe kunstwerkelijkheid gereduceerd tot een monocausale wereld waarin zich alleen eenduidige gebeurtenissen voordoen.

Den Hartog Jager gooit in zijn artikel zoveel zaken op één hoop dat het niet vreemd is dat hij niet meer kan genieten van kunst en alleen rijtjes namen kan noemen van de door ongeveer iedereen reeds in het kunstpantheon bijgezette kunstenaars. Hij vergeet echter voor het gemak dat de maatschappelijke rol van de kunstenaar is veranderd, doet badinerend over maatschappelijke betrokkenheid van zijn medeburgers (kunstenaars), strooit met termen als vooruitgangsgeloof en verwijt anderen dat ze niet begrijpen wat daarmee bedoeld wordt zonder zelf ook maar een moment in de gaten te hebben dat men een politiek-sociologisch begrip niet klakkeloos op de kunst kan toepassen. Ook roept hij dat kunstwerken moeten ontroeren en tegelijkertijd inzicht brengen.

Populisme en selectieve verontwaardiging zijn het instrumentarium van de straat. Het is dan ook werkelijk verkeerd te veronderstellen dat het leven van alledag zich alleen maar daar afspeelt.