Nucleair zakendoen

Het akkoord over nucleaire samenwerking tussen de Verenigde Staten en India dat gisteren werd gesloten, laat onverbloemd de tweeslachtige houding van Washington zien over nucleair zakendoen met verschillende staten. Voor bevriende staten gelden andere maatstaven dan voor niet-bevriende met nucleaire ambities. Willekeur in de machtspolitiek komt vaker voor, maar de timing van deze overeenkomst en het niets-verhullende karakter ervan zijn opmerkelijk.

Terwijl moeizaam met Iran wordt onderhandeld over het nucleaire programma van Teheran, krijgt Delhi als erkenning en beloning voor zijn economische prestaties nucleaire technologie cadeau. Weliswaar voor civiel gebruik, maar toch: deze zoethouder voor critici laat onverlet dat India het Non-proliferatieverdrag, dat het bezit en de verspreiding van kernwapens tegengaat, nooit heeft ondertekend. Nucleaire samenwerking met dit land zet de wedloop met kernwapens in de regio op scherp.

Het akkoord ondergraaft eens te meer het Non-proliferatieverdrag. Het geeft Iran argumenten om zich, met verwijzing naar de Amerikaanse schijnheiligheid, niets aan te trekken van waarschuwingen en eventuele ultimata. Anders dan India of andere kernmachten heeft Iran meegewerkt aan controle op zijn nucleaire programma. Het is lid van het Non-proliferatieverdrag. Het is duidelijk dat Iran een atoombom niet nodig heeft. Maar het kan wel met alle recht civiel gebruik van kerntechnologie claimen. Waarom zou het niet mogen wat nota bene India van Amerika wél mag?

Het waren al lastige gesprekken die drie lidstaten van de Europese Unie met Teheran voerden, maar ze krijgen nu haast iets potsierlijks. Voor de atoommogendheden Israël en Pakistan knepen de Amerikanen al een oogje dicht. Nu is India aan de beurt om nucleaire zaken mee te doen. In het jargon van president Bush heet dit een 'strategisch partnerschap', woorden die hij gisteren gebruikte in een korte toespraak tot premier Singh van India. De betekenis ervan is vérstrekkend. Dat zal blijken als dadelijk de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties zich moet beraden over sancties tegen Iran wegens vermeende nucleaire overtredingen van dit land. Er is nu nog nauwelijks juridische of morele grond om de Iraniërs strafmaatregelen op te leggen. Dat betekent overigens niet dat Iran ongebreideld moet kunnen doorgaan met de ontwikkeling van zijn kernprogramma. Het dient wel degelijk duidelijk te maken waarmee en met welk doel het bezig is. En het moet zonodig gestopt worden.

De grens tussen civiel en militair gebruik van kerntechnologie is vaag. Steeds meer landen streven naar het gebruik van kernenergie, wat hun goed recht is. Maar ook steeds meer landen willen over een kernwapen beschikken. Het Non-proliferatieverdrag moet dat tegengaan, maar als de belangrijkste atoommogendheden zélf geen aanstalten maken om te ontwapenen en deals sluiten als die tussen Amerika en India - wat blijft er dan van dit verdrag over? Op papier in ieder geval niet veel. De lidstaten die namens de EU met Iran nucleair overleg voeren - Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië - doen er goed aan in dezen een eigen koers te varen. Dat wil zeggen: onafhankelijker van Washington.