Naschoolse opvang

Toen ik klein was - we spreken nu over de jaren zestig en zeventig - was er geen buitenschoolse opvang (BSO). Mijn moeder, fulltime onderwijzeres, huurde een lief 16-jarig meisje in om voor ons te zorgen. Onze oppas was partieel leerplichtig en moest eens in de zoveel tijd naar de 'vormingsklas', een vorm van onderwijs die ongetwijfeld het loodje heeft gelegd in de nieuwe zakelijkheid van de jaren tachtig. De rest van de tijd was de oppas bij ons. Zij zette thee, kookte het eten, herinnerde ons aan huiswerk of pianoles en verzon spelletjes.

Als iemand mij destijds het principe van de buitenschoolse opvang had uitgelegd, was ik me waarschijnlijk rot geschrokken. Na schooltijd met een groepje kinderen afkomstig van diverse scholen, onder leiding van een groepsleidster 'leuke activiteiten' ondernemen, zoals schat zoeken in het park, een smokkelspel spelen in het bos, voetballen op een pleintje of apenkooien in een gymzaal. Hu, wat verschrikkelijk.

Zo af en toe, als mijn ouders genoeg hadden van hun brave, boekjes lezende dochter, dumpten zij mij in vakanties bij het recreatieteam op de camping en dan stonden er steevast ook dit soort dingen op het programma: een vossenjacht, levend stratego, of een tafeltennistoernooi. Ik weet nog hoe ik bij terugkeer in de gezinstent smeekte of dit alsjeblieft niet meer hoefde. Ik deed toch niemand kwaad en als ik desondanks gestraft moest worden, kon dat ook op minder barbaarse wijze, bijvoorbeeld door zakgeld in te houden of extra afwascorvee. Buitenschoolse opvang zou ik ongetwijfeld hebben geïnterpreteerd als een variant op de kampeerterreinrecreatie, met dien verstande dat het elke dag, elke week, altijd maar door zou gaan tot ik eindelijk volwassen was.

Er waren in de jaren zestig en zeventig wel meer kinderen zoals ik: verlegen, bangig en slecht in sport. Maar de meeste kinderen waren vrolijk en gezellig; die deden enthousiast mee met de vossenjacht, de kinderbingo en het levend kwartetspel. Mijn ouders wreven mij dit geregeld in en zij hadden gelijk, dat zag ik zelf ook wel.

Mijn indruk is dat de meeste kinderen anno 2006 precies zo zijn als mijn spontane, vlotte leeftijdgenootjes in de jaren zestig en zeventig. Zij zijn dol op bosspelen, houden van sport, en treden graag op in verkleedkleren met een playback versie van het nieuwste nummer van K3. Als zij moeten kiezen tussen een middag mens-erger-je-nieten met hun moeder of een middag voetballen met hun vriendjes, onder leiding van een groepsleider die als scheidsrechter fungeert, dan kiezen zij voor het laatste, zij het dat ze daar trouwhartig bij zullen zeggen dat ze het ook leuk vinden om dingen met hun moeder te doen, heus wel, maar misschien na het voetballen?

Ik was dan ook verbaasd toen ik Hoe het werkt met kinderen onder ogen kreeg, een deze week verschenen studie van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Slechts 7 procent van de basisschoolkinderen in Nederland bezoekt een buitenschoolse opvang. Het merendeel van de Nederlandse ouders moet de uren na school (eindtijd veelal tussen 14.30 en 15.15 uur), alle roostervrije dagen in het basisonderwijs (ADV-dagen, studiedagen, teamdagen) en alle vakanties (voorjaarsvakantie, meivakantie, zomervakantie, herfstvakantie, kerstvakantie) overbruggen zonder dat hun kinderen worden meegenomen door een gezellige groepsleidster om ergens in een bos het dierengeluidenspel te gaan spelen. De meeste ouders doen een beroep op grootouders, andere familieleden of vrienden en buren, niet op de BSO. Hoe kon dit? Waarom was dit?

Ik moet bekennen dat mijn eerste ingeving was dat het mogelijk te maken zou kunnen hebben met de afgrijselijke administratieve rompslomp die de nieuwe Wet kinderopvang met zich mee heeft gebracht. Ik heb uren gezwoegd op de formulieren van de koepelorganisatie Naschoolse opvang voor 4- t/m 6-jarigen, de koepelorganisatie Naschoolse opvang voor 7 jaar en ouder, de koepelorganisatie die de kinderopvang regelt namens mijn werkgever en de bedrijfscrèche die de kinderopvang organiseert namens de werkgever van mijn partner. Af en toe bedenk ik met angst en beven dat ik mijn definitieve kinderopvangtoeslag van de belasting ook nog zal moeten regelen. Desgevraagd geeft echter slechts een klein deel van de door het SCP ondervraagde moeders aan dat zij terugdeinzen voor de administratieve gekte.

Is mijn oppervlakkige indruk van het moderne kind dan helemaal mis? Verkeer ik in een atypische omgeving waar kinderen dol zijn op bosspelen en voetbalcompetities, terwijl de meeste ouders zich moeten behelpen met een dochter zoals ik vroeger was? Zijn de kinderen van nu kleine nerds en ben ik in retrospectief mijn tijd ver vooruit geweest? Ofschoon die gedachte iets aantrekkelijks heeft, lijkt mij dit ook niet plausibel.

Volgens mij kennen veel ouders en kinderen de BSO niet van binnen. Het is hoog tijd dat BSO's open dagen gaan houden, net als middelbare scholen. Organiseer eens een competitie tegen schoolkinderen uit de buurt die de BSO niet bezoeken, zodat zij zien hoe leuk het daar is. BSO's worden namelijk nog veel gezelliger als je vriendjes van school er ook naar toe gaan.