In de huid van een vernufteling

Simon Stevin (1548-1620) kennen we als de man uit Brugge die een zeilwagen bouwde voor Prins Maurits, als lijfspreuk “wonder en is gheen wonder' hanteerde en zich sterk maakte voor invoering van het decimale stelsel. Hij was een typische ingenieur, een “vernufteling', maar dan wel een met grote belangstelling voor toegepaste wiskunde. Als leraar en adviseur van Prins Maurits hield hij zich bezig met windmolens en militaire vestingbouw. Nieuw in Stevins benadering was dat hij niet alleen in praktische oplossingen geïnteresseerd was maar ook in de onderliggende wiskundige theorie. “Spiegeling' en “daad' gingen bij Stevin hand in hand.

Toen Stevin in 1620 in Den Haag overleed, had hij meer dan tien boeken op zijn naam staan. Ze bestreken een breed terrein: niet alleen Wiskonstige Ghedachtenissen en Nieuwe Maniere van Stercktebou door Spilsluyzen maar ook Het Burgherlick Leven en De Spiegheling der Singconst. In een tijd waarin het Latijn de taal van de wetenschap was bediende Stevin zich meestal van het Nederlands. Woorden als wiskunde, loodlijn, evenwijdig en scheikunde zijn zijn vinding.

Centraal in Stevins opvattingen over architectuur en stedenbouw staat het begrip symmetrie. Bij Stevin geen aandacht voor versieringen en tierelantijnen, alles draait om schematische plattegronden van huizen en steden. Huizen hadden een binnenplaats, met als voordeel dat dieven minder kans maakten en als nadeel dat de bewoners geen zicht meer hadden op straatventers.

In Stevins nalatenschap bevonden zich ongepubliceerde manuscripten over architectuur en stedenbouw. Ze waren bestemd voor De Huysbou, een verhandeling waaraan Stevin de laatste twintig jaar van zijn leven met enige regelmatig werkte maar die nooit in druk is verschenen. Bij het verschijnen van Wisconstige Ghedachtenissen (deel 1) in 1605 maakte Stevin voor het eerst melding van het project. In dat boek, zo schrijft hij, had een hoofdstuk over architectuur moeten staan, maar dat had hij niet op tijd weten te voltooien. Maar er zijn aanwijzingen dat Stevin toen ook een zelfstandig manuscript over het onderwerp had liggen, wellicht bestemd voor publicatie. Het is er niet van gekomen.

Dat gemis is vierhonderd jaar na die eerste vermelding goedgemaakt door de Maastrichtse architectuurhistoricus Charles van den Heuvel. In 1992 zette hij zich aan het maken van een reconstructie van Huysbou, een project dat hij in drie jaar voltooide. Vervolgens duurde het tien jaar voordat de Engelse vertalers uit de voeten konden met het bijzondere proza van Simon Stevin en het boek als deel 7 in de KNAW-reeks “History of Science and Scholarship in the Netherlands' het licht zag. Stevins Nederlandse teksten en de Engelse vertaling staan naast elkaar afgedrukt, zodat de lezer zelf kan oordelen. In zijn voorwoord merkt Van den Heuvel - enigszins getergd - op dat in de tien jaar dat zijn manuscript bij de vertalers lag er tal van waardevolle publicaties over het onderwerp zijn verschenen die hij nauwelijks heeft kunnen verwerken.

Stevin zwoer bij grote steden. Een stad was een rechthoek gelegen op vlak terrein, doorsneden met parallelle grachten voor afwatering en handel. Alles geordend in eendere blokken - taps toelopende huizen zouden de symmetrie geweld aandoen en moesten worden vermeden. Praktisch was het allerminst. Zo waren de blokken waaruit Stevin zijn steden op bouwde meer dan honderd meter lang, veel groter dan de percelen waarin de Amsterdamse grachtengordel was opgedeeld. Wel maakte de verhandeling “Hoemen 't water van stilstaende stinckende grachten can ververschen' duidelijk dat Stevins stedenbouw niet volkomen was losgezongen van de werkelijkheid. Stevin had patent op een methode om het Leidse Rapenburg door te spoelen.

Van den Heuvel komt dan tot de conclusie dat Stevins stedenbouwkundige geschriften niet bedoeld waren als aanval op de toen gangbare praktijken en ook niet als toekomstvisie. Het ging om simulaties met als doel bepaalde methoden en organisatieprincipes logisch toe te passen en te kijken waartoe die zouden voeren. Die redeneringen dienden een didactisch doel, en niet het zoeken naar de ideale stad. Wellicht, zo concludeert Van den Heuvel, gebruikte Stevin deze aanpak om zijn leerling Prins Maurits stapsgewijs van problemen in architectuur en stedenbouw te doordringen.

Voor zijn reconstructie van De Huysbou heeft Van den Heuvel niet alleen gezocht naar aanwijzingen in Stevins al dan niet gepubliceerde teksten, ook maakte hij gebruik van vermeldingen van De Huysbou door tijdgenoten als Isaac Beeckman en Constantijn Huygens. Beeckman zocht in 1624 in het dorp Hazerswoude Stevins weduwe op, maakte uittreksels van wat hem in de stapels papieren interesseerde en nam die op in zijn Journael (dagboek). Stevins zoon Hendrick stuurde delen van het manuscript toe aan Constantijn Huygens, die er naar verwees in correspondentie met buitenlandse geleerden. En in 1649 publiceerde Hendrick Materiae Politicae, een selectie uit de nagelaten geschriften met daarin diverse verhandelingen over stedebouwkunde.

Op basis van alle beschikbare gegevens heeft Van den Heuvel een Huysbou samengesteld zoals Stevin die bedoeld zou kunnen hebben. Een boek dat vooral een didactisch doel lijkt te dienen en dat stedenbouwers destijds nauwelijks heeft beïnvloed. Het is de verdienste van Van den Heuvel dat hij in de huid van Stevin is gekropen, zijn architectonische papieren heeft geordend en een veelzijdig oeuvre met een nieuwe titel heeft uitgebreid.

Charles van den Heuvel: “De Huysbou'. A reconstruction of an unfinished treatise on architecture, town planning and civil engineering by Simon Stevin. Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, 545 blz. euro 89,-

    • Dirk van Delft