Etnische muren brokkelen af

Op een post aan de grens tussen Joegoslavië en Albanië vervelen luitenant Pasic en zijn mannen zich dood. Drinken en de beest uithangen, zo verdrijven ze de tijd. Tot de gefrustreerde Pasic er op een dag achter komt dat hij een geslachtsziekte onder de leden heeft. Zijn verlof is aanstaande, dan mag hij naar huis, naar zijn vrouw. Maar hoe kan hij haar in deze staat onder ogen komen? Om zijn vertrek naar huis uit te stellen verzint hij een list: Pasic roept de noodtoestand uit en overtuigt zijn meerderen ervan dat buurland Albanië op het punt staat Joegoslavië aan te vallen.

Het is de opening van de nieuwe film, Karaula (Grenspost), van de Kroatische regisseur Rajko Grlic, waarin de hypocrisie van luitenant Pasic een reeks van hysterische gebeurtenissen op gang brengt.

Het bijzondere aan de film is dat het een gezamenlijke productie is van alle voormalige Joegoslavische deelrepublieken. De producent komt uit Bosnië, co-producenten zijn Slovenen en Macedoniërs, acteurs komen uit Servië en Kroatië.

Op 22 maart aanstaande gaat Karaula in première in alle grote steden in voormalig Joegoslavië. “Als kleine landjes kunnen we maar beter samenwerken“, zegt de Bosnische Elma Tataragic, programmeur van het jaarlijkse filmfestival in Sarajevo. “De oorlog, de haat en de politiek worden opzijgeschoven. Dat oorlogsmisdadiger Mladic nog vrij rondloopt is voor mij als Bosnische geen reden om niet bevriend te zijn met Serviërs.“

“Zíe je nou wel dat het kan!“ jubelt mijn kennis Edin, als we 's avonds in het café van de bierbrouwerij van Sarajevo het glas heffen. “Laat je niet misleiden“, zegt hij. “Het zijn de politici en oligarchen die de haat blijven voeden, door de macht langs etnische lijnen onder elkaar te verdelen. Maar jonge moslims, Kroaten en Serviërs vinden elkaar allang in gezamenlijke projecten.“

Edin proost, op zijn toekomst. Hij is bezig met de opstart van een nieuw tijdschrift gericht op lezers in zowel Bosnië, Kroatië als Servië.

Ook op de filmsets brokkelen de etnische muren af. De totstandkoming van Karaula is wat dat betreft hoopgevend voor jonge kunstenaars in voormalig Joegoslavië.

Tataragic: “Als je de verbroedering van filmmakers uit Bosnië, Servië en Kroatië hier ziet, vraag je je af: waarom is die oorlog ooit begonnen?“

Voor antwoorden op die vraag kon men in de jaren negentig goed terecht bij cineast Emir Kusturica die in films als Underground het chaotische leven op de Balkan toonde. Underground bood, bedoeld of niet, inzicht in de waanzin waarvan ook de Joegoslavische oorlogen bol stonden.

Tredend in de voetsporen van grootmeester Kusturica maakte vorig jaar de Macedonische regisseur Darko Mitrevski “Bal-can-can', dat zich afspeelt tegen een decor waarin de sloop van Joegoslavië bijna compleet is. De tienduizenden gezanten van de internationale gemeenschap, die toezicht houden in het voormalige oorlogsgebied, zijn al gearriveerd, en die moeten het in Mitrevski's film flink ontgelden. Tijdens een scène die zich afspeelt in een Bosnisch dorp, waar Kroaten en moslims elkaar de kop inslaan, verschijnen “Westerse vredesstichters' ten tonele, waarop de rivaliserende bendes voor heel even de strijdbijl begraven en een feestmaal voor “de Europeanen' aanrichten. “Niet aan Brussel rapporteren, hoor?“ smeken de bezopen Kroaten en moslims, waarop alsnog een kolderieke shoot-out volgt die niemand overleeft.

Toen ik Mitrevski tijdens een filmfestival aan de Kroatische kust ontmoette deed hij zijn beklag over de geringe aandacht voor zijn film vanuit West-Europa. “Is het omdat ik de “vredesstichters' op de korrel neem? Of is men gewoon Balkan-moe?“

Het bewijs dat dat niet zo is werd de afgelopen jaren geleverd met films als No Man's Land en Summer in the Golden Valley. In 2002 ontving de Belgisch-Bosnische regisseur Danis Tanovic voor No Man's Land, een magistrale film over de oorlog in Bosnië, de Oscar voor beste buitenlandse film. Summer in the Golden Valley, een indringend portret van gedesillusioneerde jongeren in Sarajevo, werd in 2004 tijdens het International Film Festival Rotterdam bekroond met de publieksprijs.

“Balkan-moe is een oneigenlijk argument“, zegt filmprogrammeur Tataragic. “Maar er is nu een nieuwe Balkan-cinema in de maak, die door de jonge generatie - zij die kinderen waren tijdens de oorlog - wordt omarmd.“

Minder parodie, minder wreed absurdisme, minder waanzin. Als voorbeeld van de nieuwe cinema noemt ze Grbavica, de debuutfilm van de Bosnische regisseuse Jasmila Zbanic die daarmee vorige maand de Gouden Beer op het filmfestival van Berlijn won.

Het succes van Zbanic heeft de kunstenaarsscene in Sarajevo hernieuwd zelfvertrouwen gegeven. Het is al weer ruim tien jaar geleden dat de belegerde stad de aandacht trok van geëngageerde kunstenaars uit het Westen. De herinnering aan wijlen Susan Sontag, die er Samuel Becketts toneelstuk Wachten op Godot regisseerde in een ondergronds, met kaarsen verlicht theater, is al verbleekt.

Maar plots was er dan het succes van regisseuse Zbanic! In de straten van Sarajevo kun je dezer dagen niet meer om haar heen; aan muren en lantaarnpalen hangen foto's van Zbanic, met de begeleidende tekst: “Dank je wel Jasmila!“

De emoties die haar succes hebben opgeroepen hebben grotendeels te maken met het onderwerp van de film: het lot van de duizenden Bosnische vrouwen die tijdens de oorlog door Servische soldaten werden verkracht. Maar de dankbetuiging aan Zbanic is ook ingegeven door de angst dat de buitenwereld de Balkan vergeet. Kijk maar! We kúnnen het!

“Zie je wel!“ zei Edin niet voor niets in de bierbrouwerij. Maar later op de avond, na een vierde glas bier, valt hij terug in mistroostigheid. Edin: “Eerst maar eens kijken of het succes van Zbanic' film slechts éénmalig is. Vooralsnog zie ik om mij heen weinig revolutionairs gebeuren, niet in het theater, en zeker niet in de muziek.“

De andere kunstvorm waarin alle etnische grenzen op de Balkan zijn weggevallen is de turbofolk - liedjes die worden ondersteund door een met elektronische beats overgoten mix van Roma-liedjes, Turkse muziek en het ritme van Servische blaaskapellen. Al in de jaren negentig, onder Milosevic, veroverde turbofolk Joegoslavië. Na het uiteenvallen van het land bleef de populariteit groeien, onder zowel Bosniërs, Kroaten als Serviërs. De Roemenen hebben met de Manele hun eigen versie, de Bulgaren noemen het de Chalga. En in alle Balkanlanden zien de uitvoerende artiesten er hetzelfde uit: jonge vrouwen, net ontslagen uit de liposuctie-kliniek, gehuld in strak glinsterend leer.

Edin gruwelt ervan. “De jeugd hier is er door vergiftigd, ze willen allemaal een sterretje met grote tieten worden.“

Maar filmprogrammeur Tataragic vind het minder ernstig. Ze benadrukt het positieve feit dat turbofolk kennelijk verbroedert. Zo ook hoopt ze dat het de filmindustrie op de Balkan zal blijven vergaan.

Na de première eind deze maand van Karaulu staat filmliefhebbers op de Balkan al weer een nieuwe verrassing te wachten: een film over een voortvluchtige Servische generaal die wordt opgejaagd door een vrouw. De film, met overduidelijk verwijzingen naar oorlogsmisdadiger Ratko Mladic en aanklaagster van het Joegoslavië-tribunaal Carla del Ponte, belooft een komedie te worden.

Dat de jury van de volgende editie van het filmfestival in Berlijn daar óók door gecharmeerd zal zijn, durft in Sarajevo niemand te voorspellen.

    • Tijn Sadée