Duitse genieën in de knoop

Bezeten van nauwkeurige metingen was hij, de negentiende- eeuwse wereldreiziger Alexander von Humboldt, hoofdpersoon in de roman Die Vermessung der Welt van de jonge Daniel Kehlmann. Het boek is de sensatie van deze Duitse boekenwinter en is nu ook in Nederland beschikbaar onder de titel Het meten van de wereld.

Daniel Kehlmann Jürgen Bauer Bauer, Jürgen

Humboldts levensverhaal wordt hier als fictie gepresenteerd, maar inspiratie vond Kehlmann bij de historische overlevering. Zo beschrijft hij de bekende scène van een aan de boegspriet bungelende Humboldt. Midden op de Atlantische Oceaan wilde hij een etmaal achtereen van nabij golfslagpatronen observeren. In de Andes daalde hij onversaagd af in een smeulende vulkaan. Berucht is verder het oerwoudexperiment met een indiaans gif (curare) dat hij resoluut opdronk nadat hem door de medicijnman was bezworen dat iedereen er subiet aan bezweek. “Als je geen wonden had moest de stof te verdragen zijn' redeneerde Humboldt. Het bleef bij wat hallucinaties.

Kortgezegd komt het erop neer dat deze super-Duitser niet kapot te krijgen was. Of dat het geluk van de roekeloze was of het gevolg van secure wetenschappelijke waarneming laat Kehlmann in het midden. Laconiek beschrijft hij consequent de buitenkant van de handeling, bijna alsof hijzelf ook een wetenschappelijk waarnemer is in plaats van een verteller. Daarmee is meteen de zwakste kant van het boek aangeduid: het bestaat uit een nors staccatoproza dat met passen en meten in elkaar is gezet.

Kehlmanns Humboldt legt altijd en overal minutieus de geografische, geologische en klimatologische omstandigheden vast. Daarbij pleegt hij zijn registraties een achter hem aan dravende secretaris toe te roepen. Dat manneke noteert het braaf, zoals hij vrijwel elk woord van de grote baas opschrijft opdat er voor het nageslacht niets verloren gaat. Zo gaat het bij Kehlmann, maar zo ging het ook in het echt. Het moest, want dat Humboldt een wereldwonder was, even interessant voor anderen om iets van te leren als van de wondere wereld zelf, daaraan twijfelde bijna niemand.

Nu was de historische Humboldt zeker een maniakale feitengraaier. Naast Kant, Goethe en Schiller geldt hij als de vierde ster aan het firmament der Duitse Klassik - een representant van het zogenaamd goede Duitsland, zoals lieden met een obsessie voor het slechte Duitsland zeggen. En sinds Hans Magnus Enzensberger anderhalf jaar geleden de heruitgave van het oeuvre initieerde met daarin een prachteditie van het tomeloos ambitieuze Kosmos-project is hij weer helemaal terug.

Humboldt mag dan buiten de roman weer nadrukkelijk aanwezig zijn, binnen de kaften van het boek laat hij ons toch een beetje onverschillig. Dat komt doordat hij niet de ware hoofdpersoon van het boek is. Zijn tegenvoeter, de geniale wiskundige Carl Friedrich Gauss (ook een historische figuur), komt beter uit de verf, ook al doet Kehlmann nergens zijn best om deze misantropische zeurkous sympathiek te maken. Afgezet tegen Humboldts glorie is de misère van de arme Gauss herkenbaar, bijna vertrouwd.

Mathematisch (of eigenlijk: machinaal voorspelbaar) wisselt Kehlmann de hoofdstukken met aandacht voor zijn twee helden af; na weer een spectaculair Humboldtavontuur staat het klagerige gemiep van de zich altijd maar miskend voelende Gauss op het menu. Gauss debiteerde graag de anekdote dat hij zijn vader al hielp bij het rekenen voordat hij zijn eerste woordje kon spreken.

Dat Gauss intellectueel minstens Humboldts evenknie was stond nooit ter discussie; de man ontbrak het echter aan netwerkkwaliteiten, maar op dat punt kon helemaal niemand aan Humboldt tippen.

Tegenwoordig geniet Gauss onder wiskundigen nog faam vanwege zijn werk op het gebied van rijen, reeksen en kansverdelingen; hij wordt beschouwd als de belangrijkste rekenmeester sinds Archimedes, Euclides en Newton. Zonder Gauss waren Einsteins vondsten ondenkbaar geweest.

Van Gauss' onvoorstelbare veelzijdigheid getuigen onder andere zijn astronomische observaties en de aanleg van 's werelds eerste elektrische telegraaf. Kehlmann brengt het allemaal ter sprake, maar wat je vooral bijblijft is de hopeloze treurigheid van een wetenschappersleven dat beslissend is geweest voor het verloop van de eeuw die op dat leven volgde. Gauss was zijn tijd ver vooruit - en dat was pech.

In Kehlmanns regie levert de confrontatie tussen de twee genieën onderhoudende passages op. Veel hoefde de auteur er niet voor te bedenken, al verzon hij er een vermakelijke scène in het spiritistenmilieu bij die tekenend voor de romantische preoccupaties van de 19de eeuw is - en dus haaks op al het streven naar vooruitgang lijkt te staan.

Uiteindelijk doet de starre conflictstructuur de roman de das om. Het boek zit veel te voorspelbaar in elkaar. Hinderlijk zijn bovendien de vette knipogen die Kehlmann de lezer toezendt. Dat Duitsers moeite hebben met humor komt ergens zelfs ter sprake, maar Kehlmann legt zijn spot er zo dik bovenop dat de ironie erdoor wordt ontkracht. “Een Pruis kon heel goed lachen. In Pruisen werd veel gelachen', laat Kehlmann zijn Humboldt ergens getergd uitleggen. Ja hoor, denk je dan volgens voorschrift. Het is goed, het is best. Het zal wel.

Daniel Kehlmann: Het meten van de wereld. Vertaald door Jacq Vogelaar. Querido, 289 blz. `euro 19,95.

Rectificatie / Gerectificeerd

In “Duitse genieën in de knoop' (Boeken 03.03.06) wordt de 19de-eeuwse wereldreiziger Alexander von Humboldt omschreven als “ster aan het firnament van de Duitse Klassik.' Bedoeld was zijn broer, Wilhelm von Humboldt .

    • Anneriek de Jong