Domweg ongelukkig in een meesterwerk

Heeft goede architectuur invloed op ons humeur? Nee, zegt Alain de Botton, het is omgekeerd: je moet een beetje ongelukkig zijn om de schoonheid van gebouwen te kunnen waarderen.

Huis van C.F.A. Voysey in Cumbria, Engeland, 1899: "Een steil pannendak kan ons direct doen denken aan de Engelse Arts and Craftsbeweging'.

De troost van architectuur - zo had het nieuwe boek van Alain de Botton ook kunnen heten. Maar De Botton, die in Nederland vooral met De kunst van het reizen populair werd, had al De troost van de filosofie geschreven, en dus werd het iets anders: De architectuur van het geluk.

Geluk is een goed onderwerp voor een boek over architectuur. Van alle kunsten grijpt architectuur het meest in het dagelijkse leven in: het moderne bestaan speelt zich grotendeels af in of te midden van gebouwen. Desondanks speelt “geluk' zelden een grote rol in beschouwingen over architectuur. De meeste architecten zijn zich weliswaar bewust van het effect op het dagelijkse leven van hun gebouwen op de gebruikers, maar de illusie dat ze kunnen bijdragen aan een gelukkiger wereld hebben ze al lang achter zich gelaten.

Met het onderwerp “geluk en architectuur' had De Botton dan ook goud in handen. Maar De architectuur van het geluk gaat niet over het geluk dat architectuur kan verschaffen. Over de vraag of architectuur gelukkig kan maken, is De Botton voor zijn doen kort en beslist. Mooie huizen zijn geen waarborg voor geluk, schrijft hij: “Hoewel een mooi gebouw soms een positieve uitwerking op het humeur kan hebben, komt het ook voor dat de fraaiste locatie niet in staat is onze neerslachtigheid of mensenhaat te verdrijven'. Hij keert het om: gelukkige mensen hebben geen behoefte aan architectuur en hebben geen oog voor de schoonheid van hun omgeving. Je moet een beetje ongelukkig zijn om de schoonheid van gebouwen te kunnen waarderen, is de grondgedachte van dit boek.

De Botton komt op deze gedachte na allerlei overwegingen. Dat buitenverblijven door de eeuwen heen onderdak hebben geboden aan moordenaars en tirannen, bijvoorbeeld. Of dat het eventuele geluk dat architectuur kan geven in het niet valt bij het geluk waartoe het oplossen van een wetenschappelijk probleem leidt. “Wellicht moeten we een onuitwisbare smet op ons leven hebben geworpen, met de verkeerde persoon zijn getrouwd, een dierbare hebben verloren of tot op middelbare leeftijd hebben volhard in een onbevredigende carrière voordat architectuur merkbaar vat op ons kan krijgen', schrijft hij ten slotte.

Vanuit deze gedachte bekijkt De Botton architectuur van allerlei kanten. Hij behandelt niet alleen een groot aantal gebouwen uit vooral het verleden, maar gaat ook in op stijlen, op wat gebouwen kunnen zeggen, op de rol van orde, harmonie, samenhang en elegantie in architectuur en zelfs op de “deugden van gebouwen'. Hij doet dit, net als in zijn vorige boek Statusangst over de onzekerheden in het bestaan van de hedendaagse westerse mens, op een kaleidoscopische manier. Persoonlijke ervaringen wisselt hij af met korte beschouwingen over wat psychoanalytici als Freud, geestelijken als Bernard van Clairvaux, theologen als Paul Tillich, filosofen als Ludwig Wittgenstein (die zelf een huis in Wenen ontwierp) en architecten als Le Corbusier over architectuur hebben geschreven.

Puntdaken

Maar hoe indrukwekkend kaleiscopisch ook, toch is De architectuur van het geluk' op den duur eentonig. Veel van de uitstapjes die De Botton maakt naar de geschiedenis van de architectuur en filosofie, zijn steeds weer andere variaties op de gedachte dat architectuur compensatie kan bieden voor de tekortkomingen van het dagelijkse leven. Soms leidt dit tot rare conclusies. Over de arbeiders van de fabrieken van Fugès in het Franse Pessac die in 1923 in modernistische doosjes van Le Corbusier moesten wonen, schrijft hij dat ze die onmiddellijk grondig veranderden, nadat ze erin waren getrokken. Ze zetten puntdaken op hun “blokkendozen', zoals De Botton ze noemt, en gaven de ramen luiken en de tuintjes hekken. De Botton verklaart dit uit het feit dat de arbeiders hun hele werkdag al doorbrachten in zakelijke, reine fabriekshallen en 's avonds niet ook nog eens hun vrije tijd in een soortgelijke steriele omgeving wilden doorbrengen. Zo geredeneerd zouden boeren, die lange dagen werken op rommelige akkers en tussen drekkige dieren, een kolossale behoefte moeten hebben aan een door Le Corbusier ontworpen witte boerderij met een plat dak. Toch zijn zakelijke, strakke, modernistische boerderijen zeldzaam.

Le Corbusier is de architect die het vaakst opduikt in De architectuur van het geluk. Over de Villa Savoye in Poissy uit 1930, een van Le Corbusier's beroemdste gebouwen, vertelt De Botton een verhaal dat in architectuurgeschiedenisboeken ontbreekt. De opdrachtgevers, de familie Savoye, wilden een huis met een puntdak, maar Le Corbusier wist hen ervan te overtuigen dat een plat dak veel beter en goedkoper was, schrijft De Botton. Maar een week na oplevering begon het dak boven de slaapkamer van zoontje Roger al te lekken. Hierdoor kreeg Roger een nat bed en een infectie aan de luchtwegen die uiteindelijk ontaardde in een longontsteking waarvoor hij naar een sanatorium moest. Zes jaar na de oplevering van hun villa schreef een wanhopige mevrouw Savoye een brief naar Le Corbusier: “Het regent in de hal, het regent op de hellingbaan en de garagemuur is compleet doorweekt. Bovendien regent het nog steeds in mijn badkamer, die bij slecht weer overstroomt, aangezien het water door het dakraam naar binnen loopt.' Le Corbusier beloofde haar er iets aan te doen, maar wees er en passant ook op dat de Villa Savoye heel beroemd was geworden. Een jaar later was er nog niets gebeurd en drong de familie Savoye er bij Le Corbusier op aan om de villa bewoonbaar te maken. Ze dreigden met een rechtszaak, maar Le Corbusier weigerde iets aan de villa te veranderen. Dat Le Corbusier het ontwerp van zijn grotendeels onbewoonbare maar uitzonderlijk fraaie woonmachine uiteindelijk niet in een rechtszaal hoefde te verantwoorden, was volgens De Botton slechts te danken aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog uitbrak en de vlucht van de familie Savoye uit Parijs.

Ondanks Le Corbusier's grote bijdrage aan het ongeluk van de familie Savoye waardeert De Botton hem. Maar waarom precies blijft onduidelijk, te meer omdat hij elders in De architectuur van het geluk zijn grondige afkeer belijdt van Le Corbusier's megalomane stedenbouwkundige plannen die voorzagen in de afbraak van half Parijs.

Chaos

Zo staan er in De architectuur van het geluk wel meer weinig overtuigende meningen en beweringen. Over kolommen en zuilen schrijft De Botton bijvoorbeeld dat “we' dunne zuilen die toch een groot gewicht dragen wegens hun elegantie meer op prijs stellen dan dikke zuilen. Toch was een hele generatie van neo-classicistische architecten juist diep onder de indruk van de ongewoon dikke, korte dorische zuilen die ze zagen in de Griekse tempels van Paestum. Blijkbaar kunnen zuilen die het zichtbaar zwaar hebben net zo goed mooi gevonden worden als kolommen die de zwaartekracht tarten.

Daarbij komt dat De Bottons stijl niet bijdraagt aan de kracht van zijn argumenten. Net als in Statusangst spreekt hij voortdurend over “wij' die iets vinden over de chaos in “ons' leven. Dit doet hij natuurlijk om de lezer bij zijn gedachtegangen te betrekken. Maar dit complot met de lezer gaat na verloop van tijd tegenstaan. Als hij bijvoorbeeld schrijft dat “wij' nu natuurlijk vinden dat bruggen geen beelden moeten hebben, ben je geneigd om te roepen: “Hoezo vinden wij dat? Spreek voor jezelf, man! Wat mij betreft kunnen er niet genoeg beelden op een brug staan.'

Zo roept De architectuur van het geluk meer vragen op dan het beantwoordt. Dit geldt zelfs voor het uitgangspunt van het boek. Want als alleen ongelukkige mensen architectuur kunnen waarderen, geldt dan ook de wet: “hoe ongelukkiger de mens des te gevoeliger voor architectuur'? Zijn er trouwens wel mensen die niet op zijn minst een “beetje ongelukkig' zijn? Is architectuur dus toch niet gewoon van en voor iedereen?

Alain de Botton: De architectuur van het geluk. Vertaald door Jelle Noorman. Atlas, 303 blz. euro19,90