De mens is de mens een duif

Arjan Visser heeft het motto van zijn tweede roman, Hemelval, ontleend aan “The Ballad of Frankie Lee and Judas Priest' van Bob Dylan: “Well the moral of the story,/ the moral of this song,/ Is simply that one should never be/ Where one does not belong.' Hemelval is inderdaad een boek met een eenvoudige moraal en die moraal luidt dat het verkeerd afloopt met mensen die op plaatsen belanden waar ze niet thuishoren.

Dat laatste komt omdat mensen iets met postduiven gemeen hebben, het eeuwige verlangen om terug te gaan, om te herwinnen wat verloren is gegaan. Maar er is ook een verschil: waar een duif meestal zonder dralen terugvliegt wanneer hij wordt losgelaten, weten mensen vaak niet hoe ze de terugweg moeten vinden: ze vergissen zich in hun plaats van herkomst, raken gedesoriënteerd en stranden.

Het is geen hoopvolle moraal en Hemelval is dan ook geen vrolijk boek. De naam van de hoofdpersoon, de duivenmelker Lode Bast, is al een aanwijzing. Hij groeit eenzaam op, of zoals Visser het prachtig uitdrukt: “Lode had een vader die niet wilde praten en een moeder die niet wilde zwijgen, maar wat zij te berde bracht had zelden iets te maken met wat hij verzweeg.' Die zin staat op de tweede pagina van het boek. Lode is bang voor zijn vader. Die spreekt op de derde pagina van het boek een van de kernzinnen van Hemelval uit: “Bewaar je tranen maar voor later, het wordt allemaal nog veel erger.' Nog op dezelfde bladzijde wordt het inderdaad veel erger: vader schiet zichzelf in de schuur naast het huis een kogel door het hoofd.

Het verscheiden van de boeman in huis werkt in eerste instantie als een bevrijding voor Lode en zijn moeder. Die eten wat ze van hem niet mochten eten (friet, appelmoes) en doen waar hij een hekel aan had (dansen in de regen). Maar echt vrolijk wordt het leven van Lode niet: “Hij onderging de verbeteringen in zijn bestaan zoals hij eerder het ongeluk had weten te verduren: door zo min mogelijk te bewegen.'

Die laatste observatie is er een van het vriendelijk-ironische soort dat Vissers drie jaar geleden verschenen debuut De laatste dagen al tot een bijzonder boek maakte: Visser kan op terloopse toon vergelijkingen maken die simpel aandoen, maar lang in je hoofd blijven hangen. Het gaat daarbij om uiterlijkheden (Lodes “niet bewegen', het zwijgen van de vader) die weliswaar niet psychologiseren, maar die je wel meteen de weg naar het binnenste van de personages wijzen. Je herkent er de interviewer van de reeks “De tien geboden' uit dagblad Trouw in.

In dat opzicht sluit Hemelval precies aan bij De laatste dagen, zoals ook sommige thema's uit Vissers eersteling terugkeren: lust en zondebesef, religieuze oplichterij en seksuele intimidatie, wraak en slachtofferschap. Visser lijkt steeds weer op zoek naar de manieren waarop mensen houvast zoeken als ze de wereld niet kunnen vatten. Religie is daarbij altijd een onderwerp, zij het een onderwerp dat Visser met het grootst mogelijke wantrouwen beziet. Bij de overeenkomsten in thematiek pakt Visser het in Hemelval minder breed aan dan in De laatste dagen, een roman die overladen was met personages, thema's en gebeurtenissen.

Hemelval draait om een handvol mensen, van wie Lode Bast de belangrijkste is. Deze jongen, die het in het begin van de roman zo zwaar te verduren heeft, wordt al jong gegrepen door de duivensport en groeit uit tot een succesvol duivenmelker. Hij krijgt een baantje bij een verzekeringskantoor waar zijn overbodigheid alleen wordt overtroffen door een oude collega die er dagelijks een roman van Konsalik zit te lezen. Niet lang nadat zijn moeder is overleden (waarbij Lode net afgeleid is door het verscheiden van zijn lievelingsduif), besluit hij dat er gezelschap in huis nodig is. En, inderdaad, het kassameisje glimlacht naar hem. Lode is bang voor het huwelijk, maar houdt zich vast aan de opmerking van een eerder getrouwde duivenkennis dat “het vuur na verloop van tijd wel doofde'.

Niet echter bij zijn vrouw Geesje die, voortgedreven door een pijnlijk tweespan van passie en zondebesef, zich achtereenvolgens verslingert aan seks, een kinderwens en een andere man.

Het verschil tussen Lode en Geesje is een verschil in verbeeldingskracht. Die bezit Lode niet of nauwelijks. Hij denkt niet veel verder dan zijn dag lang is. Hij is een van de beste duivenmelkers van de streek, maar zonder dat je bij hem ooit de lyriek ziet die zijn collega's kan bevangen. Hij voert, houdt het hok schoon, volgt de instructies uit de handboeken en hoopt er het beste van. Het gaat ook goed, zolang hij zich niet door de buitenwereld uit zijn tent laat lokken, oftewel, zolang hij blijft waar hij hoort.

Geesje beleeft het tegenovergestelde. Bij iedere stap vooruit die zij zet, wordt ze even later overvallen door een gevoel van heimwee naar haar vórige leven en zou ze, als een duif, willen terugvliegen. Dat dat niet lukt, is haar grote ongeluk, steeds weer. Zoals het onvermogen om terug te keren ook het grote ongeluk van Lodes ouders was. De enige zekerheid is dat het later “alleen maar erger' wordt. En dat het altijd zo zal gaan: mannen zwijgen en trekken zich steeds verder terug, moeders weten niet meer waar ze het moeten zoeken: in deze roman lijken alle ongelukkige gezinnen op elkaar.

Het verschil in verbeeldingskracht tussen de twee echtelieden is ook een verschil in religieuze verbeeldingskracht. Lode is één en al aarde, voor hem is er niets anders dan mensen, duiven en dingen - religie is aan hem voorbij gegaan. Geesje (de naam zegt het al) heeft wél dromen en verlangens, zij het dat zij steeds door de realiteit wordt ingehaald. Bovendien leidt haar religieuze achtergrond ertoe dat ze steeds wordt opgezadeld met een zichzelf regelmatig vernieuwend schuldgevoel.

Voeg die thematiek bij de titel van Vissers tweede roman en het is duidelijk dat Hemelval alles te maken heeft met de zondeval en de verbanning uit het paradijs. Want zoals Adam en Eva terugverlangen naar het paradijs, zouden ook de karakters van Visser graag doen wat de duiven zo goed afgaat: de terugweg vinden.

Dat lijkt een simpele moraal te zijn, maar er is een belangrijk verschil tussen de heimwee van de eerste verstotenen en die in Hemelval. Want de duiven vliegen terug naar huis omdat dat hun aard is, niet omdat het thuis nu zo plezierig was. Dat is ook de tragiek van Vissers personages: er is geen paradijs om naar terug te verlangen, maar toch zoeken ze een weg uit het heden. Die ze vervolgens niet kunnen vinden.

Dat Hemelval ondanks die inktzwarte moraal toch geen neerslachtig boek is, valt alleen te verklaren uit de zachte ironie waarmee Visser dit alles voor het voetlicht brengt en hier en daar nog een streepje licht aan de hemel laat gloren.

Arjan Visser: Hemelval. Augustus, 240 blz. euro 17,90