Darwin aan het kruis

De belangstelling voor religie, én de bestrijding ervan, is de laatste jaren sterk opgeleefd. Maar zijn er argumenten in dit debat te bedenken die méér zijn dan de zoveelste herhaling? Misschien dat de biologie een uitweg biedt.

Daniel C. Denett Foto universiteit van Alabama Daniel Dennett PHOTO: University of Alabama University of Alabama

Op het omslag van de Nederlandse vertaling van Michel Onfrays Atheologie. De hoofdzonden van jodendom, christendom en islam staat dat dit boek in Frankrijk en Italië “meer dan 500.000 lezers' zou hebben gevonden. Een verbijsterend aantal voor een pamflet waarin de schrijver korte metten tracht te maken met de drie belangrijkste monotheïstische godsdiensten. Een duidelijker bewijs dat de godsdienst weer helemaal terug is, lijkt moeilijk te leveren. Vergelijk dat eens met de paar bescheiden pogingen die in ons land zijn gedaan om de godsdienst te bestrijden, onder meer door Herman Philipse in zijn Atheïstisch manifest dat maar één keer opnieuw is uitgegeven.

Bij Philipse heb ik altijd het idee dat voor hem de hele wereld bestaat uit een beschaafde debatingclub, waar het erop aankomt op het juiste moment een duivels dilemma uit de mouw te schudden. Zo is het niet bij Onfray, toch ook een filosoof. Hij gaat te keer als een tweede Nietzsche die van Céline diens beruchte drie puntjes heeft overgenomen. Aan dilemma's doet hij niet, aan argumenten ook nauwelijks, in elk geval nooit aan tegenargumenten voor zijn eigen stellingen. Dat alles wat de godsdienst heeft aangericht rampzalig is geweest, staat voor hem als een paal boven water.

Volgens Onfray is het een mythe dat God zou zijn gestorven. Was God dood geweest, dan hadden we daar wel met meer vreugde op gereageerd; nu spreekt iedereen zorgelijk over “nihilisme', terwijl men royaal het atheïsme had moeten omarmen. Maar juist het atheïsme staat nog altijd in een kwade reuk, schrijft Onfray. Wat een vergissing! Zelf verdedigt hij de ideeën van de Verlichting, vooral die van de “linkervleugel', bestaande uit atheïsten en materialisten als d'Holbach, Lamettrie, Helvétius en - in de negentiende eeuw - Feuerbach. Geen half werk, zoals bij Kant, Voltaire of Rousseau, die volgens hem ten onrechte veel meer worden bestudeerd dan genoemde radicale denkers.

Dat komt ervan als men het christendom niet echt loslaat, misschien wèl de transcendente godheid afwijst, maar ondertussen de christelijke waarden gewoon blijft hooghouden, zoals in de hedendaagse filosofie (Ricoeur, Ferry, Comte-Sponville) zo vaak het geval is. In plaats daarvan zou eindelijk eens ernst gemaakt moeten worden met een echte “postchristelijke of ronduit wereldlijke ethiek', aldus Onfray. Het atheïsme is voor hem een verzoening met de aarde, met het lichaam, met het genot en met de vrouw, kortom met alles wat ooit door de drie grote monotheïstische godsdiensten in de verdomhoek is geplaatst.

Over die postchristelijke ethiek krijgen we in dit boek verder niet veel te horen. De lof van het hedonisme heeft Onfray in het verleden al genoeg gezongen. Nu komt hij met een “atheologie', als noodzakelijke preparatie op het postchristelijke tijdperk. De term is van Georges Bataille, maar de betekenis die Onfray eraan geeft komt vooral neer op een “filosofische ontmanteling' van de religie. Achtereenvolgens worden we onthaald op een deconstructie van het monotheïsme, een speciale behandeling van het christendom en tenslotte een afrekening met de theocratie.

Voor al te veel filosofische subtiliteit hoeft niemand bang te zijn, want Onfray filosofeert met een reusachtige hamer en deinst zo nodig ook voor de drilboor niet terug. Het idee is dat het christendom, na door de “masochist' Paulus in de steigers te zijn gezet, onder Constantijn de Grote een “totalitaire staat' heeft mogelijk gemaakt, die met recht een voorloper mag heten van het twintigste-eeuwse totalitarisme. Vandaar de sympathie van Hitler voor het christendom en die van het Vaticaan voor hem; het partnerschap tussen beiden was het “resultaat van een logica van 2000 jaar', aldus Onfray. Mein Kampf is niet toevallig nooit op de Index terechtgekomen.

Tegen die tijd hebben we ook al mogen vernemen dat de bron van alle religie uit “doodsdrift' bestaat, dat religie zelf een vorm van “neurose' is, dat Jezus nooit heeft bestaan, dat de huidige strijd van het westen met de islamitische wereld een strijd is tussen de monotheïstische religies onderling, en nog zo het een en ander. Alles ten behoeve van de “lachers, materialisten, radicalen, cynici, hedonisten, atheïsten, sensualisten en wellustigen', aan wie Onfray de voorkeur geeft boven priesters, rabbi's, imams en ayatolla's. Met hen hoopt hij in het postchristelijke tijdperk een beter leven tegemoet te gaan.

Hieruit spreekt, al dan niet bedoeld, een opvallend optimisme. Dat is ook niet zo gek, als je ziet hoe ellendig de godsdienst is geweest; onwillekeurig wekt Onfray de indruk dat alle rampen in de wereld door haar zijn veroorzaakt. Het enige wat daar niet mee strookt is zijn opmerking dat de “werkelijkheid' (waarvoor de gelovigen moedwillig de ogen sluiten) “tragisch' zou zijn. Is dat ook nog zo als de religie geen roet meer in het eten gooit? Of maakt de religie misschien zelf deel uit van het tragische? Gelet op haar onvervulde beloften en averechtse gevolgen is dat niet eens zo'n gekke gedachte, maar kan een uitdrukkelijk “tragisch' genoemde werkelijkheid dan nog wel zonder religie? Of zou Onfray echt in het onchristelijke heil geloven?

Al met al blijft het een raadsel waarom een half miljoen Fransen en Italianen hiervoor naar de boekhandel zijn gesneld. Misschien uit een gevoel voor traditie, want Onfrays Atheologie sluit naadloos aan bij een achttiende- en negentiende-eeuwse traditie van antichristelijke en antiklerikale pamfletkunst, waarin men op vergelijkbare manier tekeer placht te gaan. De modernste trend op dit gebied lijkt Onfray daarentegen te zijn ontgaan, getuige het ontbreken van de biologie in de reeks wetenschappen (van psychologie tot geschiedenis en van paleografie tot esthetica) die hij in zijn inleiding te hulp roept. Juist biologen, in het bijzonder evolutionaire biologen, hebben de laatste jaren uitvoerig - en zeer kritisch - over de religie geschreven.

Wie daarvan een indruk wil krijgen, moet het nieuwste boek van de Amerikaanse filosoof Daniel C. Dennett lezen, die zich presenteert als hun “ambassadeur' in Breaking the Spell. Religion as a Natural Phenomenon. Dennett waarschuwt in het voorwoord dat hij zich vooral tot Amerikaanse lezers richt, onder wie zich tenslotte veel meer gelovige christenen bevinden dan onder een gelijkwaardig Europees publiek. Het is inderdaad een verschil: de Europese herleving van de belangstelling voor de godsdienst én voor de bestrijding ervan is een gevolg van de immigratie van islamieten uit Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Het christendom was in de meeste Europese landen al zover geneutraliseerd dat het niet meer bestreden hoefde te worden. In de Verenigde Staten is het christendom met zijn talloze varianten juist een booming business.

Misschien ligt het daaraan dat Dennett, liberaal en eveneens atheïst, zijn onderwerp zo anders en vooral zoveel behoedzamer benadert. Onfray zal hebben gedacht: die moslims in Frankrijk lezen mij toch niet, de katholieken zijn hun geloof al bijna kwijt, dus gooi de beuk er maar in. Dennett begint met een mierzoete captatio benevolentiae, waarin hij juist gelovige lezers tracht te verleiden zich met zijn wetenschappelijke benadering van de religie in te laten. Het tegendeel van Onfrays ramkoers, hoewel het doel bij nader inzien veel minder verschilt, want ook Dennett is er op uit om de religie van haar gelovigen te beroven.

Dat laatste wordt hooguit even tussen neus en lippen gezegd. Het merendeel van de tijd hult hij zich in de witte laboratoriumjas van de wetenschapper, die voornamelijk wil weten wat religie precies is, om pas daarna tot een oordeel en een eventueel plan van actie te komen. Allereerst is religie bij Dennett een “natuurlijk' verschijnsel, wat betekent dat het, net als alle andere natuurlijke verschijnselen, gehoorzaamt aan de wetten die de natuurwetenschap heeft ontdekt. In dit geval wordt het darwinisme, de evolutieleer, op de godsdienst losgelaten.

Dat klinkt spannend: het darwinisme ingezet ter verklaring van religie. Wat voegt de evolutieleer, behorend tot de natuurwetenschappen, toe dat we niet al weten dankzij de verschillende disciplines van de geesteswetenschappen? Religie is een oud en hardnekkig verschijnsel, waaraan dus een bepaalde evolutionaire ratio ten grondslag moet liggen. Maar daarmee is nog niet gezegd wie ervan profiteert. Dat hoeft niet per se de mens zelf te zijn, al gaat Dennett er evenmin vanuit dat het God zou kunnen zijn, want in dat geval kan moeilijk gesproken worden van een natuurlijk verschijnsel.

Misschien is de religie wel zoiets als een parasiet, die zijn “drager' tot allerlei gedrag aanzet dat alleen die parasiet tot voordeel strekt. Het gaat natuurlijk om een metafoor; de religie is geen levend wezen. Maar zij ontwikkelt zich misschien wel als een levend wezen, onderworpen aan hetzelfde proces van natuurlijke selectie uit een schier eindeloze hoeveelheid varianten.

Dennett gelooft overigens niet dat er ooit zoiets als een religie-gen zal worden gevonden of - in het brein - een God-centrum. Hoe zit het dan? Dennett neemt zijn toevlucht tot de “memen', bedacht door Richard Dawkins in zijn beroemde studie The selfish gene (1976): kopieerbare informatie-eenheden, die voor de culturele evolutie functioneren zoals de genen voor de natuurlijke evolutie - zie ook het kader bij dit artikel. Memen kunnen zich dus vermenigvuldigen, zonder dat het bewustzijn ermee hoeft in te stemmen. Daarin lijkt meteen hun grootste attractie te liggen: ze verklaren hoe culturele processen, als het ware buiten de mens om, hun eigen gang kunnen gaan.

Voor de mens, de “drager' van de religie-memen, kunnen ze zowel positief als negatief uitpakken. Het is zaak dat zo goed mogelijk uit te zoeken, vindt Dennett, omdat er zoveel op het spel staat, nu religieuze fanatici weldra ook over massavernietigingswapens kunnen beschikken. Toch blijkt hij, in weerwil van deze urgentie, nog niet in staat nu al het verlossende woord te spreken. Daarvoor is veel meer onderzoek nodig naar de biologische oorzaken van culturele verschijnselen. Dit boek probeert de animo ervoor te wekken.

Helaas zijn de voorbeelden die Dennett geeft, niet zo heel erg imposant. Bij zijn schets van het ontstaan van “volksreligies' (nog zonder leer of kerk) uit de menselijke neiging om aan externe zaken als regen of storm intenties toe te dichten, die via rituelen kunnen worden beïnvloed, zie ik niet goed waar het verschil zit met een gewone psychologische verklaring. En als Dennet de overgang naar de “georganiseerde religie' behandelt en daarbij - in verband met sjamanen en priesters - van een “kleptocratie' spreekt, lijken we zelfs even in het pamflet van Onfray te zijn beland. Vervolgens gaat het over de religie in de Verenigde Staten als een bloeiend economisch bedrijf, en over het verschil tussen geloof in God en geloof in het geloof, waarmee Dennett bedoelt dat veel mensen alleen geloven dat anderen, al was het maar om de moraal hoog te houden, niet zonder godsgeloof kunnen.

Tenslotte komt, na tal van andere kwesties, de grote vraag aan de orde of religies ons beter maken. Dat “beter' kun je op twee manieren interpreteren, zegt Dennett: beter in de zin van efficiënter, beter in je vel zitten, en als moreel beter. Voor alles blijkt wel wat te zeggen te zijn, al is er geen onderzoek waaruit naar voren komt dat godsdienstige mensen in moreel opzicht beter zijn - terwijl sommige gelovigen juist aan hun religie een licence to kill menen te kunnen ontlenen.

Opnieuw loopt het uit op een pleidooi voor veel meer onderzoek. Op een in zijn geloof verschanste dogmaticus na, kan niemand daar tegen zijn, zou ik zeggen. Toch is het de vraag of we met alles wat Dennett te berde wel zo blij moeten zijn, want als hij vraagt om meer onderzoek naar de invloed van een religieuze opvoeding op jonge kinderen, wordt daar meteen de mogelijkheid van eventueel overheidsingrijpen aan verbonden. Kinderen mogen - althans in Amerika - toch ook pas na hun 21ste alcohol drinken? Hier wordt duidelijk dat Dennett met een wetenschappelijke agenda alléén vast geen genoegen zal willen nemen. Sterker nog, zijn oorspronkelijke wetenschappelijke inzet (een darwinistische verklaring van de religie) lijkt hij hier bijna volledig uit het oog te zijn verloren.

Jammer, want juist daarin schuilt een belang - als mogelijk paradigma voor een soortgelijke studie van andere culturele verschijnselen - dat zich niet tot de actuele religieuze controverse met haar eindeloze herhaling van achttiende- en negentiende-eeuwse argumenten hoeft te beperken.

Michel Onfray: Atheologie. De hoofdzonden van jodendom, christendom en islam. Vertaald uit het Frans door Anneke van der Straaten en Harrie Nelissen. Mets & Schilt. 269 blz. € 20,-

Daniel C. Dennett: Breaking the Spell. Religion as a Natural Phenomenon. Allen Lane.,448 blz. € 25,99 De Nederlandse vertaling verschijnt in augustus bij Contact.

Gerectificeerd/rectificatie:

Onder het stuk van Arnold Heumakers over religie (Boeken 03.03.06) was een regel weggevallen. De laatste alinea moest luiden: “Jammer, want juist daarin schuilt een belang - als mogelijk paradigma voor een soortgelijke studie van andere culturele verschijnselen - dat zich niet tot de actuele religieuze controverse met haar eindeloze herhaling van 18de- en 19de-eeuwse argumenten hoeft te beperken.'