Europees catenaccio

'Economisch patriottisme'. De Franse premier De Villepin neemt niet eens meer de moeite om een eufemisme te verzinnen voor de geest van industriële protectie die over 's lands bestuurders is neergedaald. Afgelopen weekeinde kondigde hij eigenhandig de fusie aan tussen de energiebedrijven Gaz de France en Suez, nadat het Italiaanse Enel had laten doorschemeren Suez te willen overnemen. Onder politieke leiding werd zo een nationale kampioen gesmeed, met een blokkerend aandeelhouderschap van de Franse staat, naast de bestaande gigant Electricité de France (EdF).

Dat komt bekend voor: toen in 2004 het Zwitserse farmaceutische concern Novartis het Franse Aventis wilde kopen, werd van hogerhand ook al een fusie bekokstoofd, met het eveneens Franse Sanofi-Synthelabo. De bestuurders van Novartis werden intussen vanuit Parijs per telefoon gemaand van hun plan af te zien. Sindsdien heeft de Franse regering elf sectoren aangewezen die moeten worden beschermd voor overnames, en kwam De Villepin er zelf vorig jaar aan te pas om alleen al het gerucht dat het Amerikaanse Pepsico belangstelling had voor voedingsconcern Danone, de kop in te drukken. Suez, EdF en Danone zijn intussen zelf actieve overnemers van buitenlandse bedrijven.

De reflex is niet exclusief Frans. Polen protesteert tegen een bankovername, Italië probeerde nog vorig jaar twee buitenlandse banken te weren. In Luxemburg, dat het nota bene moet hebben van internationalisme, trekt premier Juncker van leer tegen een overnamebod door Mittal Steel op het pan-Europese staalbedrijf Arcelor. En in Spanje ziet het er naar uit dat er, met actieve steun van de regering-Zapatero, een overname wordt doorgedrukt van energiebedrijf Endesa door het eveneens Spaanse Gas Natural, nadat een bod van het Duitse Eon op Endesa Madrid de schrik op het lijf joeg. Italië, gefrustreerd door de Franse energiefusie, heeft al laten weten striktere overnamewetten te overwegen om de nationale markt te beschermen. Tegelijkertijd vergeleek minister van Financiën Tremonti de situatie in Europa met die van 1914, toen het ontloken internationalisme snel omsloeg in chauvinisme.

Die laatste vergelijking gaat volkomen mank, maar dat neemt niet weg dat Europa op dit moment een onverkwikkelijke weg dreigt in te slaan. De Bolkestein-richtlijn, die het vrije verkeer van diensten had kunnen bespoedigen, dreigt zozeer te worden verdund dat ze betekenisloos wordt, en de belangrijkste deelnemers aan de monetaire unie, Frankrijk, Duitsland en Italië, lappen de bijbehorende begrotingsregels nu al vier jaar aan hun laars.

Het accent van het ontluikende protectionisme ligt nu op de energiemarkt, waar de economische variant van het catenaccio wordt gespeeld: een muur van verdedigers optrekken, en proberen te scoren met snelle uitvallen. Als wordt toegestaan dat deze markt inderdaad ten prooi valt aan De Villepins variant van het patriottisme, dan rijst de vraag welke sectoren ook van zo'n groot nationaal belang zijn dat de Europese integratie niet langer welkom is. De financiële sector? Havens, staal, water, vervoer, farmacie (vaccins)?

Het is daarom van groot belang dat de Europese Commissie zich zonder scrupules buigt over recente gebeurtenissen op de energiemarkt. Al was het maar om het tij te keren. Want de sfeer in de Europese Unie lijkt er langzamerhand eerder een van desintegratie te worden dan van integratie.

Dat is erger dan onwelkom. De gemeenschappelijke rentepolitiek, met de euro, heeft al moeite te functioneren zonder politieke eenheid in Europa, en zal nog meer worden gehinderd als ook het vrije verkeer van kapitaal wordt gefrustreerd. Europa maakt een cruciale fase door. Daarom moeten er lidstaten zijn die het goede voorbeeld geven en wars blijven van protectie. Waaronder Nederland.