Een verre tak

Honden stralen een vanzelfsprekende lotsverbondenheid met de mens uit. Kijk maar hoe ze voorop de fiets zitten, in een mand, hun oren wapperend in de wind.

Over de Weteringschans lopend zie ik een bestelwagentje van een stukadoorsbedrijf inparkeren. Het rechterraam van de auto is omlaag, zodat goed zichtbaar is dat er een middelgrote, bruine hond naast de bestuurder zit, die meekijkt hoe de baas de auto indraait. In een poging strakker tegen de stoeprand te komen, rijdt de stukadoor met zijn rechter achterwiel over een afgevallen jasbeschermer van een fiets, wat een knappend, krakerig geluid veroorzaakt. De reactie van de hond is opmerkelijk. Hij heeft er sereen, min of meer onverschillig, bijgezeten, als een geroutineerd duopassagier, maar nu steekt hij bezorgd zijn kop uit het raam en kijkt naar het achterwiel. Je ziet hem denken: wat heb ik nou aan mijn fiets hangen? Gaat dit wel goed?

De dag daarop duikt de herinnering aan die hondenkop nog af en toe op, iedere keer met een zekere ontroering. Hoe kleverig sentimenteel dat woord ook moge wezen in verband met dieren, het is niet anders: ik liep erlangs en was ontroerd door de manier waarop die hond achterom naar dat wiel keek. Zijn begrip van de situatie, het medeverantwoordelijksbesef voor het feit dat die auto daar netjes kwam te staan. Het ontbrak er nog maar aan dat hij uit het raam sprong en aanwijzingen begon te blaffen.

Honden hebben het wij-gevoel. Jan Hanlo heeft het perfect gezegd in het gedicht 'Hond met bijnaam Knak': Hij was een hond/ Zijn naam was Knak/ Maar in zijn hondelichaam stak/ Een beste ziel/ Een verre tak/ Een oud verbond/ God, zegen Knak.

Bij katten hoef je om zoiets niet te komen. 'Een beste ziel' past al niet bij ze, en die tak en dat verbond al helemaal niet. Dat een kat 's avonds bij de afsluitingspiepjes van je computer een blik op het scherm werpt en alvast van het bureau springt, is puur eigenbelang; dan komt er melk. Honden zijn op meedenken met de mens gericht; niet voor niets zijn ze al 12.000 jaar gedomesticeerd. Wijzen naar iets, bijvoorbeeld, begrijpen volwassen honden meestal prima. Katten gaan aan je vinger ruiken als je wijst en zelfs mensapen en wolven schijnen het gebaar niet te snappen.

De stukadoorshond roept herinneringen op aan de Schotse collie Rico die vorig jaar in het nieuws kwam, doordat hij tweehonderd Duitse woorden feilloos bleek te kennen. Zijn baas, een onderzoeker aan het Max Planck Instituut te Leipzig, hoefde maar te roepen 'Elefant' of 'Badehose', en Rico haalde uit een naburige kamer het olifantje of de zwembroek op. Zelfs als er woorden gezegd werden die hij niet kende, trok hij daar conclusies uit: dan koos hij het nieuwe voorwerp dat inmiddels tussen de vertrouwde spullen gelegd was. Men's best friend in optima forma. De geleerde variant van het verschijnsel dat veel hondenbezitters kennen: hardop zeggen dat je even uitgaat en de hond staat al bij de deur.

Maar ook - of juist - dommere, meer single-minded honden stralen de vanzelfsprekende lotsverbondenheid met hun mens uit, die mij altijd een beetje jaloers op de eigenaar maakt. Honden kletsen niet, ze hoeven hun identiteit niet te ontdekken, ze willen niet 'gewoon lekker hun ding doen', ze zíjn er eenvoudig. Je ziet ze in de stad voorop de fiets zitten, in een mand, krat of laadbak. Hun oren wapperen in de wind, bij oneffenheden in het wegdek moeten ze hun evenwicht corrigeren, maar verder zitten ze daar geheel op hun gemak, met het air van 'wij moeten even ergens heen, we hebben een beetje haast'. Zo honds als het maar kan.

De schippershondjes aan boord van de Rijnaken die over de Amstel varen, hebben die houding ook. Ze dribbelen bedrijvig inspecterend heen en weer over de looppaden langszij, behalve als hun schip door een brug moet; dan staan ze maar op één plek: de voorplecht.

Namens de baas in de stuurhut houden ze in de gaten of de buitenwereld zich wel soepel om het schip voegt. (Waar blijven de cameraatjes die je op de kop van een hond kunt plaatsen?) Het snuit-, vacht- en staartgeworden wij-symbool, dat qua solidariteit en inlevingsvermogen in de hele natuur zijn weerga niet kent.

Er zijn dagen dat het kijken naar zulke honden een zacht knagend gevoel van gemis oplevert, een gevoel van incompleetheid.

Was ik maar een schipper of een stukadoor met zo'n metgezel. Vals sentiment, zoals gezegd. Niks voor honden.

    • Rascha Peper