De pest versterkte 'Kleine IJstijd'

Na de pestepidemie breidde het bos in Europa sterk uit. En dat heeft het klimaat in de eeuwen erna kouder gemaakt. Utrechtse biologen hebben hiervoor nieuwe bewijzen gevonden.

Deel van de vijftiende eeuwse dodendans uit de kerk van het Franse dorpje La Chaise-Dieu Foto LL/Roger-Viollet La Chaise-Dieu (Haute-Loire). Danse macabre du XVème siècle, troisième panneau, les artisans. CAP-532BIS res LL / Roger-Viollet

Het is aannemelijk dat de dramatische pest-epidemie die Europa teisterde tussen 1347 en 1350 invloed heeft gehad op het klimaat. De ziekte richtte zo'n slachting aan onder de boerenbevolking dat akkers en weilanden braak kwamen te liggen en opnieuw dichtgroeiden met bos. Dat zich allerwegen uitbreidende bos nam zoveel CO2 op dat de CO2-concentratie van de atmosfeer wezenlijk daalde. En dat moet in principe een koelend effect hebben teweeg gebracht.

Tot die uitspraak komen stuifmeelkundigen van de Universiteit, aangevoerd door Thomas van Hoof, na onderzoek aan stuifmeel en half vergane bladeren uit een grondboorkern in Limburg. Zij publiceren hun inzicht binnenkort in het vakblad Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology, beter bekend als Paleo3. Hun conclusies vormen een ondersteuning, maar ook een zekere relativering, van een spraakmakende hypothese van de Amerikaanse milieu-wetenschapper William Ruddiman. Deze, vóór zijn emeritaat verbonden aan de University of Virginia, kwam eind 2003 met de stelling dat het aardse klimaat al duizenden jaren wordt beïnvloed door de menselijke beschaving. Bijna alle landbouw ging ten koste van bos en duizenden jaren lang maakte bos plaats voor akkers, weiden en heide. Dat ging gepaard met een gestage stijging van de atmosferische CO2-concentratie. Alleen na de zware pest-epidemie van 1347-1350, waaraan naar schatting één derde van de Europese bevolking bezweek, zou het omgekeerde gebeurd zijn. Toen ontstond op verlaten akkers zoveel nieuw bos dat de CO2-concentratie weer daalde. Ruddiman suggereert dat dit de verklaring is voor de opmerkelijke koude periode die tussen de 16de en 19de eeuw geheerst heeft: de Kleine IJstijd.

De Utrechtse biologen voeren bewijsmateriaal aan voor deze hypothese. Zij haalden een boorkern van vier meter uit een al eeuwen geleden afgesloten, dichtgegroeide en verlande meander van het riviertje de Roer bij Sint Odiliënberg. De boorkern bestaat uit half verteerde plantenresten, hier en daar afgewisseld met wat klei en zand. Een standaard dateringsmethode, steunend op de aanwezigheid van radioactief koolstof (14C), bewees dat de boorkern een ononderbroken reeks materiaal uit de periode 1000 tot 1500 na Christus bevatte. De pestperiode ligt daar middenin.

Stuifmeelonderzoek bevestigde het beeld dat door Ruddiman is geschetst. Tot aan 1350 neemt de bijdrage van bomen aan het stuifmeelpakket trendmatig af. Het wordt vervangen door dat van de planten uit weiden en heide en door diverse voedingsgewassen, vooral boekweit en rogge (gecombineerd met korenbloemen). Na de pestepidemie kentert dat beeld: het bos keert terug.

Het interessante van de Limburgse boorkern is dat hij veel intacte bladeren van eiken en wilgen uit de genoemde periode bevat. De bladeren zijn zó goed bewaard gebleven dat het mogelijk is het aantal huidmondjes op het blad te tellen, en af te zetten tegen het totaal aantal cellen van het bladoppervlak. Sinds een jaar of tien staat vast dat het percentage huidmondjes een bruikbare maat is voor de CO2-concentratie van de lucht waarin de boom groeide. De Utrechtse onderzoekers gebruikten de huidmondjes in de bladeren van de zomereik als maat. Volgens hun berekeningen nam de CO2-spanning na de pestepidemie met ruim 30 ppm af. Een wezenlijk probleem is dat boorkernen uit het ijs van Groenland en Antarctica een veel geringere daling laten zien (10 ppm) en dat de waargenomen variaties niet synchroon lopen. De indruk is dat de CO2-concentratie al flink aan het dalen was vóór dit effect door herbebossing versterkt werd. De pest heeft de komst van de Kleine IJstijd versneld.

    • Karel Knip