Bang om te sterven van angst

Een kwart van de bevolking krijgt ooit last van een angststoornis en dat percentage neemt toe. Maar de juist behandeling wordt zelden toegepast, zegt prof. Eni Sabine Becker, angstdeskundige

Normaal gesproken krijgen mensen een blij gevoel als ze iemand zien glimlachen. Zo niet mensen met een sociale fobie, die hebben altijd negatieve associaties als ze een menselijk gezicht zien, óók als dat gezicht vriendelijk kijkt. En bij mensen met een spinnenfobie zit elke spin die ze maar denken te zien direct in het centrum van hun aandacht, zonder dat ze het kunnen helpen. Het is niet zo dat ze een echte spin sneller zien dan 'normale' mensen, zoals psychologen vroeger wel dachten, maar ze zijn wel meer geneigd om elk zwart vlekje voor een spin aan te zien en zo hun eigen wereld veel onveiliger te maken dan die is.

Dit zijn zomaar een paar resultaten uit het onderzoek dat de van oorsprong Duitse psychologe Eni Sabine Becker de laatste twintig jaar gedaan heeft. Ze bestudeert hoe mensen met angststoornissen informatie uit hun omgeving verwerken. Er is nog weinig onderzoek naar gedaan; de nadruk lag altijd op het vóórkomen en het behandelen van deze ziekten. Het is een van Beckers doelen als net aangetreden hoogleraar om deze leemte te vullen. Afgelopen vrijdag hield ze haar oratie aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Normale angst is functioneel, maar in het geval van een fobie is die angst totaal losgezongen van de werkelijkheid. 'Zelfs mensen met een spinnenfobie zijn uiteindelijk banger voor hun eigen reactie op een spin dan voor die spin zelf', vertelt Becker aan de telefoon. Ze weten best dat een spin eigenlijk niet gevaarlijk is, maar ze zijn bang dat ze de controle over zichzelf verliezen als ze er een zien. Ze zijn echt bang dat ze zouden kunnen sterven van angst.'

De angststoornis is in onze cultuur met depressies de meest voorkomende psychische ziekte. Specifieke fobieën zoals spinnenfobie en hoogtevrees vallen eronder, maar ook 'gegeneraliseerde angststoornis' (waarbij mensen ziekelijk piekeren), sociale fobie en paniekstoornis. Volgens Becker krijgt tussen de twintig en vijfentwintig procent van de mensen in West-Europa minstens eens in het leven een angststoornis. 'En er is een duidelijke trend dat dat toeneemt, de laatste twintig jaar. Het zijn ook steeds jongere mensen die er last van krijgen en het wordt sneller chronisch. Hoe dat komt, daar wordt veel over gespeculeerd, maar zeker weten doen we het niet. Het kan ermee samenhangen dat er steeds minder dingen vastliggen in het leven en dat het gevoel van controle dat mensen daardoor hebben, afneemt - zo'n gevoel van controle hangt samen met psychisch welbevinden.'

Angststoornissen kunnen goed behandeld worden, met behulp van cognitieve gedragstherapie. De kern daarvan is confrontatie met datgene waar mensen bang voor zijn, vertelt Becker. Mensen met een spinnenfobie kunnen leren een spin te aaien; bij mensen met smetvrees nam ze vaak haar hond mee naar de therapie. Die moesten ze dan aanraken. 'Dat vinden die mensen vreselijk ja, maar als je zo'n confrontatie zorgvuldig voorbereidt, werkt het heel goed.' In driekwart van de gevallen genezen patiënten volledig met cognitieve gedragstherapie.

Maar van alle mensen met een angststoornis krijgt nog geen drie procent deze behandeling, rekende Becker voor in haar oratie - het zijn Duitse cijfers, maar ze denkt dat het in Nederland niet veel anders zal zijn. Slechts veertig procent wordt überhaupt behandeld, en daarvan krijgen de meeste mensen medicijnen, terwijl dat bij de meeste fobieën juist slecht is. 'Het zijn vaak benzodiazepinen en als je die langer neemt dan zo'n vier weken, neemt de angst juist toe als je ermee stopt; dat is een van de bijwerkingen.' Slechts een op de vijf mensen die behandeld worden, komt in psychotherapie terecht, en daarvan ontvangt slechts een klein deel cognitieve gedragstherapie.

Er zijn allerlei soorten vrijgevestigde psychologen en andere hulpverleners die maar wat aanrommelen, vertelt Becker. Vaak loopt het wel via de huisarts, maar die weten ook niet goed waar ze mensen naartoe moeten sturen. Het is heel moeilijk om een goede psychotherapeut te vinden. Al is het gelukkig ook een duidelijke trend dat GGZ-instellingen steeds meer met wetenschappelijk geschoolden willen werken.' Het is het tweede doel dat Becker zich als hoogleraar gesteld heeft: eraan bijdragen dat meer mensen die aan angststoornissen lijden, de goede, evidence-based behandeling krijgen. Ze leidt nu al zelf klinisch psychologen op aan GGZ-instellingen in het oosten van Nederland.

Maar haar echte liefde zit bij het fundamentele onderzoek, vertelt ze. Ik heb ook epidemiologisch onderzoek gedaan, en therapiestudies - maar die cognitieve processen, dat is echt mijn passie. Al is dat onderzoek niet direct belangrijk voor de behandeling, dat moet ik wel zeggen. Maar het is natuurlijk wel nuttig en nodig om te begrijpen hoe de menselijke geest werkt. Over tien, twintig jaar krijgen we daar vast de payoff van.'