Rembrandt

Dat Leiden niet zit te suffen in dit jaar van Rembrandt, zijn beroemdste stadgenoot, bleek ons al bij het verlaten van het Centraal Station. Op een bord voor de restauratie stond met krijt geschreven: 'Lekker, lekker, gevleugelde Rembrandt, laat u verrassen.' Hoewel het nog te vroeg op de dag was om me door wat dan ook te laten verrassen, informeerde ik binnen even naar de aard van het gerecht. 'Een half kippetje met aardappelen en groente', zei een buffetjuffrouw.

Bij de entree van De Lakenhal was het op deze doordeweekse dag een drukte van belang. Vuttend Nederland bleek in groten getale uitgerukt om de tentoonstelling Rembrandts Moeder te bezoeken.

'Toch mooi om als kunstenaar vierhonderd jaar na je geboorte nog zó voort te leven', mijmerde ik hardop, terwijl ik het publiek voor de kassa observeerde. 'Stel je voor dat mijn stukjes over vierhonderd jaar nog gelezen zouden worden, sterker nog, dat de mensen de boekhandels belegerden om herdrukken van oude bundels te bemachtigen, dat historici riepen dat je op die manier een uniek beeld zou krijgen van het bizarre Nederland van die jaren, dat'

'Ik heb nog wel zin in een gevulde koek', onderbrak mijn vrouw de Kees de Jongen in mij. Ik had haar meegevraagd omdat ze zo van Rembrandt zegt te houden.

Aan ons tafeltje kwamen twee oudere dames zitten. Ze bladerden nogal lusteloos door enkele Rembrandt-brochures.

'Van Rijn, is dat zijn achternaam?', vroeg de een aan de ander. Die knikte vaag.

Kennelijk moet je ook weer niet te veel van de onsterfelijkheid verwachten. Dat doen kunstenaars ook niet altijd. Bij de Lakenhal zijn ze zo slim geweest de bezoeker eerst een kwartiertje langs onbekendere meesters te leiden voordat het Rembrandt-gedeelte begint. Zo kwam ik oog in oog te staan met een onsterfelijk doek over sterfelijkheid. Het heette Vanitas en het was in 1651, zes jaar voor zijn dood, geschilderd door de toen 67-jarige David Bailly.

De schilder heeft zichzelf als jonge man groot afgebeeld, terwijl hij aan een tafel zit. Met zijn linkerhand houdt hij een klein schilderij vast waarop hij als oudere man te zien is - de oudere man dus die dit schilderij gemaakt heeft. Alsof hij wil zeggen: zie je die ouwe kerel? - daar loopt het dus op uit. Ook de tafel bevat louter symbolen van de sterfelijkheid: een gedoofde kaars, zeepbellen, een schedel, verwelkte bloemen en een zandloper. Achter een glas schemert heel ijl het portret van zijn overleden vrouw. Op een briefje rechtsonder staat in het Latijn de bijbelspreuk 'IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid'.

Kon Rembrandt hier nog tegenop? Dat kon hij, al moet me van het hart dat er teleurstellend weinig schilderijen van hem hangen. Daar hoort gelukkig wel een van zijn allermooiste bij: Oude vrouw in een stoel, afkomstig uit de Hermitage in Sint-Petersburg. Onder een zwarte muts staart een oude vrouw met grote gelatenheid voor zich uit. Ze heeft het allemaal gezien, het mag voor haar wel afgelopen zijn.

Eerst werd zij door kenners gezien als de moeder van Rembrandt, toen als de echtgenote van zijn broer en ten slotte nog slechts als 'type'. Als dát van je overblijft, en nog wel op een schilderij van Rembrandt, mag je niet eens klagen.