Die honger naar weten

Cornelie van Uuden is 70 en ze woont in de straat waar ook haar geboortehuis heeft gestaan. Ooit zou ze emigreren, de hutkoffer staat nog op zolder. Toen ontmoette ze Gerard en hem vond ze zo leuk, hem durfde ze niet boven de huwelijksmarkt te laten zweven, nog geen jaar.

C.J.M. van Uuden-de Gooijer (Naarden, 5 aug. 1935) woont in Naarden Help Print Manage Group Collections Page list: [NH 24] 01/03/2006 Nederland, Naarden-Vesting, 22-02-2006 Cornali van Uuden PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Het was Naarden-Vesting, het bleef Naarden-Vesting. 'Ik ben', zegt ze, 'een dorpsmens. Ik hou ervan naar buiten te gaan en mensen tegen te komen die ik ken en die me gedag zeggen.'

Haar grootmoeder had hier, aan het eind van de straat, een boerderij. Indertijd was het een beetje verdacht als je in Naarden-Vesting woonde. Het was, laten we zeggen, een volksbuurt. Nu is het wonen er uitgesproken chic. 'Nu zouden wij hier geen huis kunnen kopen.'

Haar vader was melkboer. Ze ging op school bij de Zusters van het Arme Kind Jezus. Ze deed mulo en zou medisch analiste worden. Ze ging naar de avondschool in Amsterdam en werkte overdag in het kindersanatorium in Huizen. 'Daar heb ik tbc opgelopen. Toen heb ik anderhalf jaar thuis gekuurd. Dat was toen ik achttien was.'

Ze maakte haar opleiding af, kwam op het laboratorium van het studentensanatorium in Laren terecht en moest daar weg toen ze ging trouwen. Gerard was opzichter bij een aannemer, later werkzaam bij een architectenbureau.

Drie kinderen. 'Toen Wendy geboren was', zegt ze, 'was ik 32. Wat moet ik nu, dacht ik. Ik voelde een enorme verveling, terwijl er toch zat te doen was. Op foto's uit die tijd zie ik spierwit.'

Ze gingen rondleidingen doen in het Vestingmuseum, en cursussen aan de Volksuniversiteit, en nadenken over van alles en nog wat, en verzen schrijven. 'Daar ben ik tussen 1980 en 1990 heel druk mee geweest, met schrijven en voorlezen. Ik was altijd na de pauze, in de schaduw van de grote namen.'

Op haar veertigste was ze weer gaan werken, bij De Trappenberg, een revalidatiecentrum in Huizen. Op haar 53ste stopte ze daar weer mee. Toen begon ze cursussen te volgen aan de Open Filosofische School in Utrecht. 'Ik had die honger naar weten. Hoe zit de wereld in elkaar? Waarom zijn we hier? Ik blijf me verbazen over het bewústzijn van mensen.'

Toen werd ze ook gegrepen door al die godsdiensten op aarde, de verschillen, de overeenkomsten. Naar de School voor Comparatieve Filosofie in Antwerpen. 'En daarna kwam ik op het spoor van de Open Universiteit. Weer filosofie, en toen begon ik ook tentamens te doen, de laatste zonder haar en met een hoofddoekje om.'

Darmkanker. Ze moet graven naar het juiste jaartal, 'kennelijk totaal verdrongen.' Goed, 1998.

'Ik was', zegt ze, 'niet bang om dood te gaan. Wel verdrietig. Ik zat achter glas. Het leven ging door, maar ik hoorde er niet meer bij. Ik dacht: je moet iets doen... je immuunsysteem... ik dacht dat elke cel in je lichaam een stukje kennis draagt, dat je daarop invloed kon uitoefenen vanuit je geest. Ik heb mijn lichaam toen laten weten: we gaan door.'

Ze had een doel nodig, iets om naartoe te werken, iets dat haar over de dood heen kon tillen. Ze besloot aan de Open Universiteit cultuurwetenschappen te gaan doen. 'En ik ben meteen begonnen, de chemo was nog gaande. We deden tentamens in een collegezaal van de VU in Amsterdam en dan ging ik helemaal achterin zitten, dicht bij het toilet, zodat ik heen en weer kon rennen.'

Vorig jaar augustus, kort na haar zeventigste verjaardag, is ze afgestudeerd met een scriptie over Betsy van Vloten.

De drie zusjes Van Vloten: Martha getrouwd met Frederik van Eeden, Betsy getrouwd met Willem Witsen en Kitty getrouwd met Albert Verwey. Als ze zich niet aan zulke prominente mannen hadden verbonden, hadden ze waarschijnlijk méér bereikt. Ze hadden alledrie tenminste genoeg in hun mars.

'Aardige meisjes', zegt ze. 'Betsy was ook heel knap. En melancholiek. Ik heb 'r nooit zien lachen, op foto's. Ook in haar brieven was ze bloedserieus. Ze heeft geleefd van 1862 tot 1946. Ik heb haar leven gereconstrueerd tot 1905.'

'Waarom tot 1905?'

'Toen is ze van Witsen gescheiden. Voor haar was het grootste probleem niet dat hij vreemdging, maar dat hij de waarheid niet zei. Ik heb meer dan twaalfhonderd brieven van haar gelezen - beroerd handschrift - en er uiteindelijk 87 gebruikt voor mijn scriptie.'

'En wat zegt het leven van zo'n vrouw je nou?'

'Je gaat onwillekeurig eens naar je eigen relatie kijken. De machtsbalans in een huwelijk. Ik ben daar wel reëler in geworden.'

'Dat klinkt nogal raadselachtig.'

'In een huwelijk spelen dingen die... universeel zijn, of in ieder geval wetmatig; die misschien meer met de aard van de verbintenis te maken hebben dan met die van de betrokken mensen.'

Afijn, haar scriptie heeft ze ingestuurd naar het IIAV. Dat betekent: Internationaal Informatiecentrum en Archief van de Vrouwenbeweging. En in december heeft ze daarvoor de tweede prijs uitgereikt gekregen. Een zilveren medaille!

Momenteel werkt ze, met haar leermeester Pieter Stokvis, aan een boek over de drie meisjes Van Vloten samen. Daar zal nog wel een jaar mee heengaan. Dat hangt ook van de gezondheid van Gerard af. Hij heeft Parkinson, op het ogenblik gaat het redelijk goed.

'Het is allemaal nogal concreet', zegt ze. 'Ik ben, dat realiseer ik me nu, minder spiritueel geworden.'

'Misschien', zeg ik, 'heb je ontdekt dat het concrete al spiritueel genoeg is.' En daarna: 'Dénk je nog even snel als vroeger?'

'O ja', reageert ze. 'Ik denk vaak drie stappen vooruit. Dan begin ik middenin een verhaal dat niemand kan volgen.'

'Dus je weet meer dan ooit tevoren', zeg ik. 'En je weet dat wat je weet heel goed te gebruiken. Eigenlijk ben je op je zeventigste op je best.'

Nu kijkt ze een tijdje naar haar handen. Want ja, wat moet je daar nou op zeggen?

'Wat ouder' is een serie gesprekken met mensen die zeventig zijn.