De zonnebrillen

Bert en Ernie schallen uit de boxen, dochter zingt luidkeels mee. Boven speelt zoon met zijn trein en heeft man zich achter zijn computer verschanst. Ik hang in een gore trui op de bank met de zaterdagkrant. Het is - kortom - een saaie, maar aangename zondagmiddag.

Totdat de bel gaat.

Joepie, denkt dochter, dat zal haar buurliefde zijn, die wil komen spelen. Maar als we samen de deur opendoen, zien we twee enorme zonnebrillen en een Maxi-Cosi. Dochter deinst achteruit. 'Hai!' roepen de brillen veel te hard; 'Wij dachten, we komen eens kijken.'

Sinds we hier wonen, ondergaan wij vaak dit soort overvallen. Oude bekenden, die ons onverwacht komen opzoeken, nieuwsgierig naar ons nieuwe leven in de Vinex-rimboe. De zonnebrillen komen uitermate goed van pas om hun afgrijzen over zoveel zand, leegte en rechtlijnigheid te verbergen. Tijdens de rondleiding komt er niet veel positievers uit dan 'Wel veel ruimte' of 'Oh, je hebt een tuin'. Mijn man weet, zoals gewoonlijk, slecht te verhullen dat hij hun naam niet meer weet, maar laat toch maar zijn nieuwe werkruimte zien. Zoon roept tegen de baby, die amper haar eigen neus kan aanwijzen, dat ze van zijn speelgoed moet afblijven.

Van pure ellende begin ik ondanks het vroege uur iets te mompelen over witte wijn. 'Maar je vindt het hier dus uh... prettig?' Ik knik. 'En je hebt hier dus geen uh... winkels?' ondervragen ze, terwijl ik worstel met de kurk. 'Een supermarkt voor de dagelijkse boodschappen en een videotheek die ook deodorant, tampons en krabsalade verkoopt', antwoord ik trots. Ze zijn niet onder de indruk.

Na het tweede glas gaan de brillen af en komt het hoge woord eruit. Zij zouden hier nooit kunnen wonen; 'Geen Hema!', roepen ze in gedeeld ongeloof. 'Nee, niks voor jullie', haak ik in, 'geen afhaal-Thai, geen pinautomaat, geen psychiater.'

'En geen opticien', gil ik ze achterna, als de zonnebrillen in een grote stofwolk zijn vertrokken. Luid zingend keren dochter en ik terug naar de bank:

Die zien we nooit meer (tadam!) te-rug!