Investeer in jonge onderzoekers

Titus Galama en Erik Frinking menen dat Europa en Nederland zijn begonnen aan een wetenschappelijke en economische neergang; Nederlandse excellente wetenschappers verlaten in grote getale de Nederlandse universiteiten. Zij pleiten voor de snelle oprichting van een Europees Instituut voor Technologie (EIT), waarmee de fine fleur van de wetenschap kan worden behouden (Opiniepagina, 15 februari). Maar er zijn ook meer voor de hand liggende maatregelen waarmee het tij kan worden gekeerd. Betere carrièreperspectieven voor jonge onderzoekers is daarvan de belangrijkste.

Wetenschappelijk onderzoekers in het algemeen, maar promovendi en postdocs in het bijzonder, zijn van groot belang voor een gezonde kenniseconomie. Zo geven de Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen aan dat jonge onderzoekers essentieel zijn voor de absorptie en benutting van kennis, het verhogen van de arbeidsproductiviteit en werkgelegenheid, de vernieuwing van onderzoek en de ontwikkeling van talent. De wetenschap - wil zij haar excellente infrastructuur instandhouden - is afhankelijk van een constante stroom van jonge, talentvolle onderzoekers.

Om de neergang van Galama en Frinking te keren, heeft Nederland dus vooral mensen nodig die onderzoek kunnen doen: promovendi en postdocs. De vooruitzichten zijn echter weinig positief. In de eerste plaats heeft Nederland relatief gezien weinig gepromoveerden.

Op elke 1000 werkenden zijn er in Nederland slechts 0,34 gepromoveerd. Dit is bijna de helft lager dan het EU-15 gemiddelde: 0,56. In landen waaraan het kabinet zich wil spiegelen ligt deze verhouding zelfs drie- tot viermaal hoger dan in Nederland.

In de tweede plaats is een toenemend percentage promovendi aan Nederlandse universiteiten noodgedwongen van buitenlandse komaf. Op sommige universiteiten betreft het een meerderheid van daar aangestelde promovendi. De regering geeft aan dat dit op termijn een onhoudbare situatie zal blijken. Immers, veel buitenlandse promovendi zullen na de afronding van hun proefschrift Nederland verlaten. Het saldo op de 'wetenschappelijk handelsbalans' is dan ook ronduit negatief.

Ten derde zijn de uitval en vertraging onder promovendi hoog. Gemiddeld weet minder dan 10 procent van de promovendi hun proefschrift op tijd af te ronden.

Naast deze drie breed erkende problemen speelt op de lange termijn nog een meer fundamentele kwestie: de carrièreperspectieven van jonge onderzoekers op Nederlandse universiteiten zijn ronduit slecht. Vergrijsd personeel en slecht personeelsbeleid fnuiken de doorgroeimogelijkheden van jonge onderzoekers.

De Adviesraad voor Wetenschap en Technologiebeleid gaf in juli 2005 aan dat de doorstroommogelijkheden van jonge onderzoekers de laatste jaren flink zijn verslechterd. Hun kansen op een goede academische carrière zijn in Nederland veel te klein; universiteiten doen er te weinig aan om hun talent te behouden. Jonge onderzoekers die na hun promotie aan de universiteit blijven werken, vallen doorgaans van de ene tijdelijke postdoc-aanstelling in de andere.

Minister Van der Hoeven (Onderwijs) erkende dit probleem en sprak van een 'stapelen van postdocs', een probleem waaraan tot op heden, aldus de minister, nog weinig is gedaan. Na meerdere tijdelijke postdoc-aanstellingen verlaten jonge excellente onderzoekers de Nederlandse universiteiten, en zo gaan zij en masse verloren voor de wetenschap.

Ook uit een recent onderzoek van het Promovendi Netwerk Nederland (PNN) en het Landelijk Postdoc Platform (LPP) blijkt dat het gros van de jonge onderzoekers ontevreden is over hun carrièreperspectieven op de Nederlandse universiteiten. Slechts éénzevende van de jonge onderzoekers is te spreken over hun toekomstperspectief op een Nederlandse universiteit.

Sterker nog, uit het genoemde onderzoek bleek dat de slechte carrièreperspectieven op de Nederlandse universiteiten voor bijna de helft van de jonge onderzoekers reden is om hun carrière op een buitenlandse universiteit te willen vervolgen. Door sterk vergrijsde personeelsbestanden zijn er op de Nederlandse universiteiten simpelweg te weinig toekomstmogelijkheden voor jonge excellente onderzoekers.

Er zijn in Nederland al zo weinig gepromoveerden, er zijn al zo weinig Nederlandse promovendi en er is al zo veel uitval en vertraging. Juist in dat licht is het kwalijk dat Nederlandse universiteiten hun talenten en hun grootste kapitaal de deur wijzen.

Een gezond wetenschappelijk klimaat begint met investeren in die groep mensen die het gros van het wetenschappelijk onderzoek doet: jonge onderzoekers. De Nederlandse universiteiten dienen hier hun verantwoordelijkheid te nemen.

www.nrc.nl/opinie:Artikel Galama en Frinking: 'De nieuwe Einstein moet in Europa wonen'

Derek Jan Fikkers is promovendus aan de Universiteit Twente en voorzitter van het Promovendi Netwerk Nederland. Karin Mattern is postdoc aan het Erasmus Medisch Centrum en voorzitter van het Landelijk Postdoc Platform.